Column Trouw 13 juli 2000
Nederlanders zijn er in drie soorten. Eerst de gewone werkers. Zij laten
zich dagelijks in de file vastzetten om vervolgens in hun werkruimte vast te
zitten, in ruil voor voldoende geld om onder andere die auto te kopen
waarmee ze zich vast laten zetten. Ze werken omdat het zo hoort, op vaste
tijden en voor de kost. De betrouwbare, nuttige, onmisbare massa.
Dan is er een kleinere groep razend ambitieuze types die zestig of meer uur
per week werken, die azen op veel geld of macht, of hartstochtelijk bij hun
werk betrokken zijn.
En ten slotte is er een groeiend miljoenenleger van leeglopers -
bijstandtrekkers, wao'ers, vutters, aow'ers, werkelozen, asielzoekers - dat
zijn leven uitzit met boodschapjes doen, tv kijken en boeiende bezigheden
als postzegels sparen of pergamo. Die club heeft de laatste jaren volop
verse aanvoer gekregen van de lijders aan het burn-outsyndroom. Een
interessantere, eervoller kwaal dan het ook nog jonge me-syndroom, dus dat
laatste zal nu wel verdwijnen uit het afschrijfrepertoire. We konden er
vorige week in Trouw over lezen: twee onderwijzers en een bosje dominees,
zogenaamd opgebrand door hun beroep. Vroeger heetten ze overwerkt of
overspannen, maar die woorden houden misschien teveel de mogelijkheid in dat
het weer goed komt, na wat ontspanning of minder werken namelijk. Als men
burnt out is rest alleen nog een beetje as. Dan wordt het nooit meer wat, en
mag men zich dus geheel in de hedendaagse traditie voegen bij het koor van
handophoudende hulpelozen dat meent zich kapot gewerkt te hebben. Nog een
kwart eeuw of meer in een uitkering zitten breien en puzzelen. En vooral
veeeel klagen.
Interviews als met die twee onderwijzers die beiden een glanzende carričre
achter de rug hebben, maar nu alleen nog maar kunnen janken over hoe slecht
ze het hebben, hoe ondankbaar afgedankt ze zijn, gaan nooit over hun vele
zegeningen. Terecht stuurt een conciërge een ingezonden brief over hun
salaris. Daar is nog veel meer aan toe te voegen: een leven lang in
vrijheid, vrede en welvaart, waarschijnlijk met een eigen huis dat in waarde
vertienvoudigd is, een auto, buitenlandse reizen en wie weet een gezond
gezin. Ze hebben lekker lang mogen studeren, en interessant en relevant werk
gehad, maar hun ego is nooit bevredigd. Dan storten ze maar in. Wat een
vervelende mensen eigenlijk.
De opgebrande dominees zijn helemaal een zielig volkje. Zo'n dominee die
anderen aanraadt net als een tandarts op afspraak en vaste uren te werken,
geeft, het is niet anders, blijk van gebrek aan contact met God. Een ware
dominee is enthousiast en geďnspireerd, woorden die verwijzen naar vervuld
zijn van Gods Geest, een bron die eeuwig stroomt, waaruit dus eindeloos
geput en uitgedeeld kan worden, gratis - een woord dat familie is van
'gratia': genade. Een dominee die dit leven gevende vuur niet voelt, is een
winkelier in dode teksten, waarvan de handel op raakt. Waar je als klant dus
niks aan hebt.
Toch is er met dat beeld van een hoopje as iets positiefs te doen. Rees de
phoenix niet drie dagen na zijn zelfverbranding weer springlevend op? Ga dus
drie dagen liggen slapen, drie maanden desnoods. En doe vooral of je dood,
afgeschreven, op bent. Luister louter naar treurmuziek, lees romans die
slecht aflopen, verwaarloos jezelf, blijf ongewassen in bed liggen, en zeur,
drein, jammer net zolang tot je er werkelijk ziek van bent, van dat
slachtoffer zijn, uitkeringstrekker nummer driemiljoenenzovoort. En begin
dan gewoon iets heel nieuws. Solliciteer bij voorbeeld als schoonmaker.
Lekker gewoon eerlijk en dankbaar met je handen werken voor je eten. Dat
ruimt vanzelf ook de inhoud van je verwende hoofd op.