Column Trouw 2 november 2000
Brongersma kende zeker de plekken in Overveen, aan de Heemsteedse
Manpadslaan en in Santpoort waar de NS zo vaak de ingewanden van de
rails peutert. Hij kende de torenflats met snelle lift naar de bovenste
verdieping, en nog snellere terugweg. Hij bezat geld voor henneptouw met
lopende paalsteek, en een zolder met balken. Maar hij was zo deftig de
overheid, die toch op alle hulpverleningsfronten geldgebrek demonstreert
de psychische begeleiding te besparen die mensen die een verminkte
zelfmoordenaar vinden, nodig hebben.
Een bejaarde pedofiel met ingekogelde ruiten, gehaat. Zijn levenswerk
kapot. Eens liftte hij mee in het kielzog van de grote emancipatiegolven en
leek zijn geaardheid maatschappelijk erkend te krijgen. Het tij keerde en hij
werd weer als de vuile viezerik gezien die hij voor zijn korte glorietijd ook
was. Het kwam nooit meer goed. Zijn lichaam was te lelijk voor het jonge
volkje, innerlijke worsteling en loutering pasten hem kennelijk niet, verder
decorumverlies lag op de loer, en vrienden, als ze er nog waren, deden er
niet meer toe.
Dokter Sutorius begreep de 86-jarige en hielp hem aan een milde dood.
Dezelfde minister van Justitie, die later Brongersma’s kindersexverzameling
confisceerde, op jacht naar strafbaarheid, wilde de milde dokter
veroordeeld zien, en durft nu ongegeneerd in beroep te gaan tegen de
vrijspraak die de begrijpende arts kreeg.
Het enige echt foute aan het oordeel van deze arts was dat hij meende dat
de stervensbeluste geen psychiatrisch probleem had. Op die manier
verklaart hij pedofilie tot een normale seksuele variant, terwijl een pedofiel
zwaar gestoord is in zijn emotionele ontwikkeling, zoals Brongersma zelf in
interviews liet merken: als kind nooit geknuffeld, zijn ouders vonden zoenen
onhygiënisch etcetera. Psychiatervoer bij uitstek.
En Justitie zegt met andere woorden: Brongersma had moeten blijven
leven om alsnog gemarteld te kunnen worden, door de complete
deconfiture bewust mee te maken die zij - sinds de moraal veranderd is en
de wetgeving aangepast - voor hem in petto had. Nijdig constateert Justitie
dat hij ontglipt is, naar de dood, waar politici zo bang voor blijken dat ze
liever levensmoeden kwellen dan ze vrij te laten. Dus moet de dokter straf
krijgen.
Wat is er zo erg aan de dood? Niets toch? Alleen de dood van een kind is
erg, of als een kind zijn moeder verliest. ‘Ontijdig’, heet dat sinds
mensenheugenis. Niemand zou vóór zijn tijd moeten gaan. Wanneer die
tijd komt, wanneer de dood een zegen, een vriend in nood wordt, daarover
kunnen wij voor elkaar niet oordelen, dat is ook in geen wet te vangen.
Ik beaam het romantische verlangen van Willem Breedveld naar de wijze
waarop de aartsvaders stierven. We gaan dan even voorbij aan de manier
waarop het bijwijf van de Levitische man in Gibea stierf, of de dochter van
Jeftha. We gaan ook voorbij aan de beestachtige behandelmethoden die
tegenwoordig zovele levende doden baren, waar de gelukkige aartsvaders
voor gespaard bleven.
Mij grijpt de angst nu al naar de keel om in mijn ouderdom uitgeleverd te
worden aan dokters als Kimsma, die over bejaarden in zijn praktijk ‘voor
wie het leven geen feest’ meer is, zegt: "Maar dat betekent niet dat ik ze
dood moet maken". Een demagoog uit de prehistorie van het
euthanasiedebat, nog wel lid van de toetsingscommissie, een zogenaamd
‘speciaal getraind SCEN-arts’. Met hem terug naar af in de discussie. Laat
de mensen toch in vrede sterven, als ze willen, of als het hun tijd is. Laat
dokter Kimsma zich met de levenden bemoeien die zo graag willen leven,
en verder zijn grove mond houden. Laat er praktische, dokterloze
stervensbegeleiding komen voor mensen die eruit willen. En laat de oudjes
die vrolijk 120 willen worden dat alsjeblieft ook in vrijheid en vreugde mogen
doen.