Column Trouw 20 juli 2000
Zijn omgeving beschouwde het als een van de nukken van de oude man. In
nabijheid van klikkende camera's schermde hij steeds zijn hoofd af, of liep
snel uit beeld, zeggend: "Ik heb copyright op mijn eigen hoofd." "Als een
magische oerwoudbewoner die bang is dat zijn ziel wordt weggetoverd",
grapten familieleden, en probeerden hem stiekem te fotograferen. Toch was
het een standpunt waar veel voor te zeggen is. Een foto wordt 'genomen', een
kopie van jouw gezicht wordt je afgepakt. Je verliest je zeggenschap erover.
Soms krijg je een afdrukje, terwijl de andere afdrukken een zwervend leven
gaan leiden in mapjes of plakboeken, hopelijk bemind en later nostalgisch
besproken. Maar wie weet bejoeld, beoordeeld, beduimeld, soms verscheurd of
bekrast. Of aan het hart gedrukt door iemand die jij juist haat. De mooie
modellen in hun weinige kleertjes die verregend van de billboards bladderen,
kan het kennelijk weinig schelen wat er met hun beeld gebeurt, welke gekken
zich eraan verlekkeren, hoe het opspattend slik het bevuilt tot het
tenslotte losgetrokken wordt en verfrommeld op de belt belandt. Op die
koppige oude man na ken ik eigenlijk niemand die zich zorgen maakt over het
lot van zijn afbeeldingen, de bereidwilligheid om lachend te poseren is alom
lachwekkend groot. Alpenhoge mierenhopen zou je kunnen bouwen van die
fotoalbums vol bevredigd grinnikende koppen.
Toch geef je je af aan degene die jou portretteert. Meestal kan dat ook wel
in goed vertrouwen, dient het een goedmoedig doel, is het slechts een kiekje
voor later dat onschuldig de ijdelheid streelt. Een enkele keer wordt de
maker er rijk en beroemd mee, wat de meeste geportretteerden ook wel zint.
Een aparte categorie zoekt speciaal zo'n kunstenaar van faam, omdat zij zelf
ook van een belangrijke soort zijn, en hun kop later ergens in een
portrettengalerij in een openbaar gebouw moet worden bijgezet. Dat wordt dan
een duur officieel geschilderd portret. Maar soms wordt een mens daar diep
ongelukkig van. Als zo'n artiest zijn oren tot knollen verdraaid heeft, z'n
mond aangezet tot een soort panharing, zijn ogen vergroot en wallen
verdiept, en zijn vingers gekneed tot een paar bossen winterpeen. Nee, daar
herkende wijlen de burgemeester van Leeuwarden zich niet in, in de
karikatuur die Sjoerd de Vries dertig jaar geleden van hem schilderde. Dus
ligt het portret al die tijd weggestopt in een kelder, ondanks de lyrische
woorden van 'kunstkenners' of een psychiater die nota bene openbaar een
schimpende analyse gaf van 's burgemeesters psyche. Nu ijvert een stichting,
die puur alleen voor dit doel is opgericht, voor tentoonstelling van het
portret, want de kunstenaar 'zit emotioneel totaal in de knoop, er is sprake
van geestelijke marteling, van geestelijk lijden, nog elke dag', volgens
zijn eigen woorden. Hij heeft die burgemeester 'naar eer en geweten
afgebeeld', 'omdat ik gewoon niet op een andere manier kan werken'.
Vergoelijkt hij met die zinnen zijn knulligheid? Vermoedelijk is dat niet
zijn bedoeling, want hij meent: 'een kunstenaar kan geen misbruik maken van
zijn handen'. Een geschifte stelling natuurlijk, want, als dat waar was een
vrijbrief voor elke denkbare rotzooi: wie besluit dat hij kunstenaar is,
punnikt wat met verf, en 'hopla', wat een kunstenaar doet is altijd
welgedaan. Al schiet zijn talent hopeloos tekort, steelt hij het gezicht van
een eerste burger om het voor schut te zetten, en lamenteert vervolgens
dertig jaar. Waarschijnlijk toch met succes. Het gezicht van de burgemeester
zelf is allang vergaan, ergens onder een mooie zerk, maar de misvorming
ervan overleeft misschien nog eeuwen, tegen zijn wil. Terwijl een oude man
met nukken tenminste als een onbezoedelde herinnering gaaf op het netvlies
ligt.