Column Trouw 23 november 2000
Uitgeverij Callenbach te Nijkerk is een nostalgisch begrip voor miljoenen
Nederlanders, leerlingen van christelijke scholen veertig, vijftig jaar
geleden, die met haar boekjes zijn opgegroeid: W.G. van der Hulst en Anne
de Vries, om twee van de bestsellerschrijvers te noemen. Getuige de
oplagecijfers die soms voorin staan was het toentertijd dikke handel. Elk
kerstfeest kreeg je er eentje van school. Een kwart eeuw geleden las ik ze
weer aan mijn kinderen voor, en nu is kleinkindje aan de beurt. Het mooiste
boek ("oma’s allerliefste boek toen zij klein was") beduimeld en gescheurd,
is al mee naar huis: ‘Klaas. Van Sinterklaas die zijn muts verloor’.
Eindeloos heb ik het herlezen, en elke keer weer een beetje gehuild om de
goede Sint die zo’n koud hoofd had, om de hebzuchtigheid van de mensen
die allerlei rare mutsen voor hem maakten, azend op een duur cadeau, en
me zeer ingeleefd in de brave Klaas die zoveel moeite deed om Sint zijn
echte mijter terug te bezorgen, en als cadeautje slechts een flesje zalf voor
de zere voeten van zijn moeder vroeg. Een ideale, overzichtelijke wereld
waarin het goede beloond en het stoute berispt werd. Ik zocht mijn
boekenkast af naar meer van die onschuldige boekjes om aan kleinkindje
te geven. Ach, daar was ‘Dagoe, de kleine bosneger’ weer, ook met zulke
heerlijke herinneringen. Ik bladerde wat en schrok me een bult: de
schoolmeester houdt niet van Surinaamse dansfeesten, omdat de Here
Jezus dat niet wil. ‘Gelukkig weet hij in het hart van een kleine
bosnegerjongen met Gods hulp het heidendom te overwinnen.’ Ik belde m’n
dochter op om te vragen of ze het geliefde Klaas-boek wel zonder gêne
voor had kunnen lezen. Dat viel mee gelukkig, maar voortaan moeten alle
andere Callenbach-boekjes eerst gewogen worden, en zo nodig
gecensureerd, voordat het grut eraan wordt blootgesteld. Het beste wat van
die oude kinderlectuur gezegd kan worden, is dat het sociologisch een
boeiend doorkijkje vormt hoe in een halve eeuw de waarheden en het
denken over de wereld radicaal veranderd zijn.
‘Bethelschool Beverwijk, kerstfeest 1954’, staat voorin een andere favoriet:
‘Toen de Amboneesjes kwamen’, van H. Hoogeveen. Spannend! Gellie en
Harm krijgen Ambonese kinderen in de klas. Vader zegt: ‘Je doet er goed
aan als je vriendelijk tegen deze kinderen bent. Ze behoren tot een volk,
dat veel voor ons land heeft gedaan. Het is trouw aan onze Koningin. Het is
ook een christenvolk. Elk volk, dat in nood verkeert, moeten wij helpen. En
dit volk in het bijzonder. Daar heeft het recht op.’
Hoe vurige hoopte ik dat wij ook zulke ‘vreemde kinderen’ op school
kregen, met van die ‘leuke, donkere snoetjes’. ‘Dat zal leuk zijn als je met
zo’n zwartje kunt praten. Ze brabbelen anders wel een wonderlijk taaltje’.
Tevergeefse hoop dus, onze stad lag ver uit de buurt van de voormalige
concentratiekampen. Voor ons geen enerverende ervaringen als: ‘Gellie
kijkt met schrik het Ambonese meisje aan. Is dit misschien een heiden?
Maar neen, dat kan ze moeilijk geloven. Het zit zo stil en rustig in de
bank… Maar Gellie zal toch wel meer weten van de Bijbel en van God dan
dit kind met de roetzwarte haarlokken om het donkere hoofd. Ja dat is het
vast. Je kunt het je haast niet voorstellen, dat de Here Jezus… ja, hoe zal
ze dat zeggen… dat Die ook kan houden van zo’n bruin kind…’ ‘Dan lacht
het zwartje. Werkelijk, het lacht! Gellie krijgt er haast een schokje van. Wat
heeft het toch mooie witte tanden!’
Zulke boekjes leren eenvoudig ook dat misstanden die in het verleden door
volstrekt andersdenkenden veroorzaakt zijn, en afgedekt in zichzelf zijn
blijven zieken en rotten, nooit meer bevredigend opgelost zullen worden.