Column Trouw 3 augustus 2000
De zeespiegel stijgt. Een grafiekje in Trouw van dinsdag laat zien dat de Noordzee afgelopen
eeuw achttien centimeter hoger kwam te staan. Dat is een smak water extra voor de deur, en er
komt nog veel meer.
Als je wat meer leest over de mogelijke oorzaken van die stijging, dan valt op dat
wetenschappers het zeer met elkaar oneens zijn. Volgens de ene school is er gewoon een
klimaatverandering aan de gang, zoals dat in de loop van de geschiedenis van de aarde zo
vaak gebeurd is, na een hete periode komt er een ijstijd en dan weer een warmer eon, koud en
heet, vochtige en droge tijden wisselen elkaar af. We kunnen er niets aan doen dat Antarctica
smelt. Ja, in de verre toekomst in de bergen gaan wonen.
Maar het broeikasverhaal heeft ook machtige advocaten. Die willen dat wij zoveel boze gassen
produceren dat de ozonlaag slijt, en ook het kooldioxidegehalte toeneemt zodat de aardwarmte
niet meer kan ontsnappen. Mij past dit teveel in de oude visie van de mens op zichzelf, dat het
heelal om hèm draait, de mens als kroon der schepping, als middelpunt van het universum, die
de wereld naar zijn hand kan zetten, en het nu dus even een beetje fout doet.
De mens kan veel kapot maken en uitroeien, dat is wel bewezen, maar dan gaat het altijd over
gebieden en plant- en diersoorten die in het licht van de aardse, laat staan de kosmische
afmetingen & krachten vrij klein zijn. Een woestijntje hier, een verzilt Aralmeer daar, een dode
dodo. Maar de natuur zelf kan dat ook heel goed, zelfs beter zonder de mens. Of was het
ontstaan van de Australische woestijn of de Dode zee en uitsterven van dino’s en mammoets
ook onze schuld?
Ik ben geneigd het broeikasverhaal tot een geloof te rekenen in de orde van de mens als
rentmeester. En als we nu maar zoet bepaalde offers brengen en de rituelen correct uitvoeren,
komt het allemaal weer goed. Het is een geloof dat stadsmensen ligt, en Nederland is
langzamerhand toch dichtgebouwd tot één grote stad. Men heeft hier ook baat bij dit geloof,
want bij die andere optie, waar dijkenbouwers en waterpompers op een dag hun macht
verliezen, zal ons land op zeker moment alleen nog uit Drente, Twente en Limburg bestaan.
Levend in zo’n stad waarin het ene grootse kunstwerk na het andere verrijst, kun je gemakkelijk
aan de maakbaarheid van alles geloven.
Maar wie de stadstaat Nederland soms verlaat, anders dan alleen om borsten of bierbuik te
showen in een ander decadent oord, wie bij voorbeeld wel eens op de rand van een
vulkaankrater loopt, een storm op de oceaan meemaakt of dwaalt over toendra’s en steppen,
die begrijpt dat de school die klimaatverandering voorspelt zónder dat de mens daar invloed op
uit kan oefenen waarschijnlijk dichter bij de waarheid zit. Daar ervaar je immers onontkoombaar
hoe meelijwekkend de mens is in zijn kleinheid en grootheidswaan.
Ik ruil het geloof in het broeikaseffect dat de zeespiegel stijgen doet trouwens ook graag in voor
een ander geloof. Toen ik kind was vertelde mijn tante een geheimzinnig verhaal over de zee,
als een soort troost, als relativering van onze eigen tranen na de dood van onze moeder: de zee
zou zo groot en zo zout zijn omdat alle tranen van de mensheid ooit erin samen zijn gevloeid.
Nu ik veertig jaar kranten gelezen heb, die dagelijkse pagina’s vol pijn en wreedheid, geloof ik
dat ze gelijk had. Dus daarom blijft de zeespiegel stijgen. Niet om wat de mensen kapot maken
aan de aarde, maar aan elkaar.