Column Trouw 5 oktober 2000

  
Wat dragen ze toch een veelbelovende namen, Barak en Moebarak: 'Zegenen' en 
'Gezegend'. Daar steken onze prozaïsche Kok, Borst, Netelenbos wel schril bij af. 
Basjaar Al-Assad kan gelezen worden als 'De Leeuw van het Goede Nieuws'. 
Arafat en Sharon zijn toponiemen, maar geen gewone, het zijn plekken die God 
noemt en betekenis geeft in zijn Heilige Schrift. Maar ja, welke God, in welke 
Heilige Schrift? De acties van de diverse heren maken weer duidelijk dat er 
minstens twee goden in het spel zijn. Koning Abdoellah kan dan ook niet vertaald 
worden met 'Knecht van God', noch Netanjahu als 'Kadootje van God', anders zou 
daar één en dezelfde geest mee bedoeld zijn. Terwijl wat daar waait meer stormen 
zijn, uit tegenovergestelde richtingen. Een godenstrijd. Dat kan geen mensenhand 
rechtbreien, hoe zegenend of gezegend ook. Tenzij misschien… men zich 
massaal bekeert tot een derde God, een bedaagde God, van liefde en wijsheid.
Bizar toch dat mensen zo graag bijeenkroelen op één plekje om te vechten en te 
moorden. Terwijl de wereld zo groot en zo mooi is, en wat mij betreft juist op 
plekken waar in de wijde omtrek geen mensen wonen, de uithoeken der aarde. 
Stille, vredige streken, om gelukkig te zijn, om steeds naar terug te verlangen. 
Land waar niets te winnen valt, niets te delven, niets te beleven, een land zonder 
mensen dus zonder ruzie. 
Niet in de steden maar juist in die lege oorden ervaar ik het goddelijke. Goden 
resideren immers vanouds op woeste hoogten, en soms kan ik ze daar nog zien. 
Al daalden velen lang geleden van hun bergen af, met wetten en al. In de vlaktes 
werden hoogtes opgeworpen, stenen opgericht, namaakbergen gebouwd waar zij 
zich lieten inviteren. Delfi had zijn omfalos, zijn navel der aarde, het heilig 
middelpunt der wereld. Ook de Ka'ba was zo'n navel, net als de steen onder de eik 
van Sichem. En zeker ook de steen Beth-el, waar Jakob die mooie droom kreeg 
over een ladder naar de hemel, want dat beeld hoort precies bij zo'n kunstmatig 
goddelijk centrum: zo was 'Band van hemel en aarde' een gangbare naam voor 
Sumerische tempels. Die band werd voorgesteld als een navelstreng, als een 
touw, een mast of een trap. Daar werd de hemel geacht de aarde de hand te 
reiken. Daar manifesteerde zich de godheid, liet deze zich oproepen. 
De tempelberg in Jeruzalem is helaas ook zo'n plek. We weten nu dat de aarde 
rond is, en dat geen plaats nog het middelpunt genoemd kan worden zonder 
arrogant te zijn, of erger: dom. Toch vechten ze erom als honden. 
Wie heeft het alleenrecht op die plek? Want delen kunnen ze daar niet.
Toen David Jeruzalem inpikte heette het nog Jebus, stad van de Jebusieten. 
Neem je de Bijbelse geslachtslijst serieus, dan hebben de Palestijnen, als neven 
van de stichters van de stad zeker de oudste erfrechten. Hoewel, David kocht de 
Tempelberg eerlijk van een Jebusiet. (Al kan alles wel beweerd worden, het 
koopcontract is er niet meer. En in drie millennia is die plek ook zo vaak vernield 
en van eigenaar gewisseld.) 
Het zal de strijdenden moeten vergaan als de twee spreekwoordelijke honden, die 
om een been vechten: een derde moet ermee heen. Zoals de staat Israël door 
internationaal ingrijpen geconstrueerd is, zo moeten ook de samenwerkende 
grootmachten het lot van dit kleine stukje grond bepalen. Een paar are niemands- 
of allemansland, want zelf kunnen ze het daar niet zonder bloedvergieten regelen. 
En hun goden bemiddelen ook niet. Als de Tempelberg dan is afgezet door 
blauwhelmen wordt het afwachten welke god zich er manifesteert, zich toont als de 
ware bewoner. Ik ben benieuwd, al zal ik er nooit gaan kijken, de god van het 
dodenrijk waart mij er al te vaak rond.