Column Trouw 7 september 2000

  
Ik heb een visitekaartje met mijn titel erop. Dat mag ik in het buitenland 
graag presenteren om de reacties te zien: steevast wordt gedacht dat drs. 
minstens tweemaal doctor is. De extra egards die dat soms meebrengt laat 
ik me stiekem lekker aanleunen. Een jurist is in Engeland gewoon maar 
mister: meneer. Een juriste ook. Nooit begrepen waarom hier iemand wel 
meester in de rechten kan zijn, en een ander niet meester in de letteren. 
Meester is een veel leukere titel, die klinkt of je een vak volledig beheerst, 
terwijl een doctorandus echt pas half af is.
Wie nu al een mastertitel heeft, die heeft tenminste wat. Nu maakt die ook 
nog veel indruk in Nederland: hij is Engelstalig, dus gewichtiger. Deze 
zomer was het weer genieten van de prollerige wervingscampagnes voor 
studenten. Hogescholen die al cursussen geven met buitenlandse titels 
afficheren zich trots als behorend tot ‘an elite group of professional 
universities in the Netherlands that are validated to issue their own Master 
awards’. Met een MBO-diploma en drie jaar werkervaring kun je zoiets 
moois als Master in International Hospitality Management worden. Of zo. 
Zonder dollen, het is een uitstekend idee om die titelboel om te gooien. En 
waarom niet nog radicaler? Terug naar de middeleeuwse meester/gezel-
situatie. De meeste studenten moeten toch al bijwerken, in baantjes als 
telefonist of barjuffrouw, die zeer interessant zijn om kennis te nemen van 
het gewone leven der gewone mens, maar niet doelmatig, en eigenlijk veel 
beter ingevuld kunnen worden door mensen die niets anders kunnen. Het 
mes snijdt dan aan meer kanten: de vraag naar personeel wordt opgelost, 
èn studenten worden vanaf dag 1 in een dagelijkse werkdiscipline getraind 
en verdienen normaal de kost. Werken en leren is een vruchtbare 
combinatie. Je leert veel gemakkelijker als je het geleerde dagelijks in 
praktijk moet brengen, bewijst bij voorbeeld de verpleging. Er zijn trouwens 
beroepen waar dit al gebeurt mèt mastertitel. Werk je drie jaar op een 
schip, dan ga je twee winters naar de gewone, aloude Nederlandstalige 
hogere zeevaartschool en je bent Master of Nautical Sciences, oftewel 
stuurman.
Het voordeel voor ondernemingen (ook in gezondheidszorg en onderwijs) is 
dat ze hun bachelors, hun jonggezellen, all-round kunnen scholen en 
kneden, van loopjongen tot directeur. Als tegenwicht blijven de zuivere 
wetenschappers dan onafhankelijk in hun boeken zitten, op een 
vervolguniversiteit die beslist geen duistere banden meer heeft met welke 
industrie of maatschappelijke groepering dan ook. De universiteit zoals die 
vroeger was: voor kritische onderzoekers en boekenwurmen. De hele rest 
wordt gezel in een mooie beroepsopleiding met een meestertitel. 
Want wat is er zoveel wetenschappelijker aan (tand)artsen dan aan 
verpleegkundigen? Het is allemaal handenarbeid, waarbij de eerste groep 
dan wat verder in de lichamelijke details treedt, en vervolgens een leven 
lang meer status en geld krijgt. Terwijl ze, op een selecte groep 
onderzoekende specialisten na veredelde monteurs zijn. Niet anders is het 
voor praktische beroepen als advocaat, notaris of lesboer. Eigenlijk is er 
geen universitaire studie die niet bestaat uit stomweg stampen, grammatica 
en woordjes, formules of wetteksten, en het opslorpen van vakliteratuur. 
Dan moet er nog snelsnel een eindwerkstuk gemaakt worden want 
studietijd=geld raakt op. Gelukkig hoeft daar vaak ook niet zelf over 
nagedacht te worden, er ligt wel een groot onderzoek klaar waarvoor nog 
wat telwerk gedaan kan worden. En dan is het student ‘klaar’: een 
onorginele theoreticus met vooral veel ervaring in het nachtleven plus een 
torenhoge schuld, die nog moet leren werken. Belachelijk. Een criticus als 
wijlen Piet Vroon, die de universiteit van binnen uit omschreef als zulo’s, 
zeer uitgebreid lager onderwijs, en uit onvrede zijn doctorsbul teruggaf, 
wordt dezer dagen node gemist.