Dieren lief en leed
Met melk meer mans, 31 augustus 2000
Dierenliefde, 2 juni 1999
Vuilnisprobleem, 26 mei 1999
Natures Nightmares, 21 april 1999
Merels Dood, 14 april 1999
Merels dood, 7 april 1999
Varkensvlees, 9 december 1998
Rothonden, 28 oktober 1998
Slakken, 8 juli 1998
Rabbinale zelfverheffing, 12 maart 1998
Index
Column Trouw 31 augustus 2000,
Met melk meer mans
Blij nieuws voor de koe: onderzoek wijst uit dat melk drinken misschien
prostaatkanker bevordert. 'Misschien' moet er wel bij want morgen wordt
wellicht - zoals gewoonlijk - bekend dat een andere onderzoekschool het
tegendeel ontdekte. Maar als melk echt slecht is voor het mannelijk geslacht
dan zal het veel minder gedronken gaan worden. Mooi zo. Ondanks uitzinnig
populaire melkreclames met lollige koebeesten treft melkvee een droef lot.
Een koe moet elk jaar baren zonder moeder te mogen zijn, haar kalf wordt
haar steeds direct ontroofd en met kunstmelk gevoed opdat onze zuivelbergen
groeien. Deze weeskalfjes worden vervolgens, zoals iedereen intussen moet
weten, op schandelijke wijze versleept om in kistjes vetgemest te worden, de
heks van Hans en Grietje is er niks bij. En koeien worden selectief
doorgeteeld op steeds fantastischer melkafgifte, zodat de tranen je in de
ogen springen als je langs een weiland rijdt - voorzover de koe de wei nog
in mag - en je ziet die stumpers hun wanstaltige roze zwellingen torsen. Ons
is geleerd niet beter te weten dan dat dit normaal is, heilzaam zelfs.
Terwijl het welbeschouwd absurd is. Koemelk is van nature nooit bedoeld voor
menselijke consumptie. Het is koeienkindjesvoedsel. 'Us mem' in Leeuwarden
en de koe die de reiziger op Schiphol verwelkomt blijven echter hardnekkig
symbool voor welvaart en gezondheid. De melkproductie per koe is opgeblazen
tot gemiddeld 6500 liter melk per jaar. In 1950 was dat nog maar 3.300
liter. Als ik me voorstel wat het betekent voor zo'n dier, dat er dagelijks
eeltige klauwen of zuignappen aan haar tepels rukken, dan krimp ik ineen met
m'n armen voor m'n borsten.
Dat melk slecht zou zijn voor mannen vind ik een dus een welkom verhaal, en
ik verwacht zelfs dat het uitgebreid gaat worden met de waarschuwing het
eten van eieren en kaviaar te laten, evenals de gemalen baarmoeder die in de
frikadel verwerkt wordt: net als melk ook de vrouwelijkste producten van het
vrouwelijk lichaam, waarschijnlijk vol voor het mannelijk geslacht funeste
hormonen.
Als tegenhanger verwacht ik verder dat vlees eten als een oorzaak van
vrouwelijke kankersoorten ontmaskerd gaat worden. Dieren die vlees leveren
zijn immers overwegend mannetjes. Het veeteeltbedrijf is extreem
seksistisch: vrouwtjesdieren fokt het groot om aan de lopende band te laten
jongen of uitzuigen. Aan mannetjes heeft het daarentegen weinig, op die ene
fokstier of prijsbeer na, dus jongetjesdieren worden snel vetgemest voor de
dood, voor de pan. Als vrouw moet je dus misschien geen malse kalfslapjes of
speenvarken meer eten - allemaal herenvlees, vol boosaardige hormonen -
hooguit een ouwe soepkip of een sudderlap van een uitgemolken koe
(damesvlees).
Als bovengenoemd onderzoek waar is dan kunnen alleen vrouwen nog melk
drinken, en is vlees eten slechts onschadelijk voor mannen. Al ben ik zelf
een vrouw die melk ronduit vies vindt. Het smaakt wee en de gedachte
borstvoeding te krijgen op m'n oude dag vind ik ook onsmakelijk. En, is het
van een man met geheime fantasieën over borsten nog begrijpelijk als hij
melk drinken lekker vindt, het idee dat oudere vrouwen aan de melk moeten om
osteoporose te voorkomen is belachelijk, en gelukkig achterhaald. Het was
ook een onlogisch idee. Waarom zou de natuur zo zijn ingericht dat het
geslacht dat melk produceert juist voor haar gezondheid afhankelijk is van
het drinken van melk? Was dat waar, dan zouden vrouwen die hele omslachtige
tussenschakel van de koe wel weg kunnen laten en gewoon haar eigen tepels in
de eigen mond steken. Kortom, deze onderzoeksuitslag opent perspectieven op
de afschaffing van de gehele deerniswekkende melkveestapel. Kies voortaan
uit de overvloed aan vrouw- en diervriendelijk voedsel die de natuur ons ook
biedt. Lekker en gezond.
Index
Column Trouw 2 juni 1999,
Dierenliefde
Four legs good, two legs bad. Wat een foto, gisteren op pagina 7. Je maag keert ervan om.
Die maag waar de kippen op de foto voor bestemd zijn. Kan hij dagelijks in de krant? Liefst
groter en met zo'n krab-plaatje erbij, dat ook de stank weergeeft. Dan missen we nog wel de
andere inferno-ingrediënten als stof, duisternis, het op elkaar geperst zitten van deze
onschuldige verdoemden. Levenslang verdoemd voor een menselijk genotje van een minuut
of tien - de duur van het naar binnen werken van zo'n kippetje. Als zich één Trouw-lezer
bekeert van gedachteloze vleesconsumptie bij het zien van die Leiden des jungen
Hähnchens zal er veel blijdschap zijn in de kippenhemel. Alzo is er blijdschap bij de kippen
Gods over één zogenaamde dierenvriend die na het lezen van mijn column een werkelijke
dierenvriend wordt. Men hoeft niet direct veganist te worden, God zelf had immers al geen
interesse in Kains vruchten der aarde maar gaf de voorkeur aan Abels vlees en vet. Het gaat
alleen om die bewust domme instelling van miljoenen: als ik maar lekker vlees vreet, met
mijn vleesvretende poes op schoot, wat kan mij die lijdende kippen en varkens dan schelen?
Midas Dekkers heeft dit soort misse 'dierenliefde' al zo vaak en onnavolgbaar scherp aan de
kaak gesteld, het lijkt zinloos dat te doen. Dierenwinkels blijven toch grossieren in
gevangenissen voor weerloze beesten, handelaren blijven dieren uit hun biotoop roven die
dan hierheen gevlogen moeten worden met de bekende vaak dodelijke gevolgen, om
'dierenliefhebbers' te bevredigen. Dat zijn mensen die zich met dierenetende dieren
omringen onder het bekende jankerige motto 'dieren zijn tenminste trouwe vrienden, die
laten je niet in de steek, zoals mensen doen'. Die veelgeroemde dierenliefde is niks dan
eigenliefde. En het gaat ook om de heb. Een dier kun je volledig bezitten, om mee te
pronken in een kooi, om knuffels op afroep te eisen of om een sado-karakter op bot te
vieren, waar sinds de slavernij is afgeschaft de hond voor dient. Een hond kun je afblaffen,
hij wordt er alleen nog maar kruiperiger van. En je kunt hem lekker opzetten tegen je
medemens. Een kat daarentegen is een asociaal wezen. De relatie tussen een kat en zijn
provider is er eentje van twee egoïsten die elkaar gebruiken. Het solitaire roofdier is alleen
in voer, kriebelen en een warm nest geïnteresseerd, en begoochelt met zijn beerachtige
vachtje de mens, die zich dan een relatie fantaseert. En samen laten ze andere, weerloze
dieren lijden en slachten. Alle energie en geld die men in zo'n 'relatie' met een huisdier
stopt, wordt onthouden aan wezens met wie een echte relatie mogelijk is, met mensen. Dan
krijg ik verwijtende post van een vrouw over lieve poesjes die haar toch zo steunen,
inclusief de 'zwarte zwerver' die elke dag een hapje mee-eet. Ze zal niet de zwarte zwervers
bedoelen die hier in de portieken liggen, dat zijn namelijk mensen. Die kun je niet kneden
tot speelgoedjes, via nagels uittrekken, staart couperen, genitaliën verwijderen. Huisdieren
zijn er voor gemakzuchtige, egoïstische en emotioneel onvolwassen types. Je hoeft je
karakter niet bij te schaven, je niet in een ander te verdiepen, zoals in de omgang met
mensen.
Gelukkig is de redding van het dier nabij. In Japan loopt een prototype rond van de ideale
hond. De ultieme Furby: een robotje dat keft, kwispelt, op schoot springt, nooit gênant geil
is, geen kinderen doodbijt, niet weerzinwekkend op skeletdelen knaagt. Er moet alleen nog
een vertederend vachtje omheen, dan kan hij in productie om de miljoenen autisten te
bedienen die nu immer dieren van vlees en bloed vermangelen ter bevrediging van hun
infantiele lusten, pardon, dierenliefde.
Index
Column Trouw 26 mei 1999,
Vuilnisprobleem
Bij het spelletje 'als welk dier zou je terug willen komen?' winnen de vogels. Ze zaaien niet
en maaien niet en bovenal: ze kunnen zweven, hoog boven de mensen, ongehinderd door
grenzen, immigratiewetten, oorlog, geloof. Een vogel is ook dichter bij de hemel. Daarom
verbeeldden de oude Egyptenaren de ziel als een vogel, die op 't moment van sterven de
mond uitvliegt, als ontsnapt aan een kerker. Zelfs als een vogel iets laat vallen op je jas,
brengt dat geluk. Vliegend poepen, als dat geen vrijheid is. Schaamteloos en schuldeloos
hun vuil onder en achter zich latend, fladderen vogels onbekommerd verder. Daarbij
vergeleken drukt de last van de menselijke beschaving zwaar: constant moeten we een
vlekkeloos uiterlijk cultiveren terwijl alles wat de natuur onvermijdbaar dicteert aan stank
en afval besmuikt in het verborgene verwerkt dient te worden. Wie zich in het openbaar met
vuil bezighoudt, wordt ermee besmet, lijkt wel, wordt vanzelf minder waard, blijkt de
beschaafde afspraak.
Toch heeft reinigingspersoneel dat staakt voor 4,5 % meer loon groot gelijk. Als
ambtenaren uit een schaaltje of 10 hoger een week gingen staken, zouden we niets merken.
Nu de onderschatte, onderbetaalde maar kennelijk machtige vuilnisman even weigert,
begint er paniek te ontstaan in het raderwerk.
Dom genoeg is vuilnisman een beroep met zeer lage status en idem beloning.
In een Australische stad zag ik hoe het anders kan: vuil ophalen is daar iets waar geen
jongeman zijn neus voor optrekt. Juist sterke goeduitziende jongens melden zich. Vuilnis
ophalen staat gelijk aan sport, maar dan nuttiger dan de sportschool, en betaald in plaats van
dat 't geld kost. In sexy sportkleding joggen ze met zware emmers op hun schouders en
lachen veel, nagekeken door smachtende huisvrouwen.
Voorlopig groeit hier de stoep met huisvuil dicht, en uiten de verschillende menselijke
karakters zich onthullend. Sommigen zetten met een quasi onwetende blik toch hun zakken
buiten, anderen doen dat stiekem 's nachts, want 's morgens blijkt de vuilberg flink
gegroeid. Of men jammert op de radio, want wonend op een bovenhuis met drie katten en
twee kinderen in de luiers, wat vier zakken vuilnis per week oplevert, te zwaar om te
bewaren op het piepkleine balkonnetje.
Laten we een potje positief denken doen. Dit is een uitgelezen moment om ons op de eigen
vuilnisproductie te bezinnen. Allereerst: katten af- en kinderen zindelijk maken. Spaart ook
veel geld. Een kind van ruim drie dat coherente volzinnen formuleert en nochtans in de
luiers poept is momenteel geen uitzondering. In mijn tijd gold zoiets als absurd, het kwam
ook nauwelijks voor, toch werden kinderen toen echt niet meer zindelijk gemept. Het
verschil zit erin dat de luiers tegenwoordig te goed zijn. Het voordeel van 'baby's billetjes
blijven langer droog' wordt op de kleuterleeftijd een groot nadeel. Kinderen voelden vroeger
een natte, hinderlijk plak tussen hun benen, en wilden, zodra 't verstandje begon te dagen,
vanzelf wel zindelijk worden.
Een tip: het zonnige weer dat de vuilniszakken gevaarlijk doet broeien, is juist puik om
broekplassers in een wip zindelijk te maken: laat ze met blote billetjes rondlopen, dan
voelen en zien ze wat er tussen en langs hun beentjes gaande is, en sprinten binnen de
kortste keren zelfstandig naar de wc.
Voor de acute nood van vuilniszakken die zich thuis ophopen zal ik een geheim verklappen.
De rommel van markten en bedrijven die een contract hebben wordt wèl opgehaald. Fiets
dus met uw zakken naar de dichtsbijzijnde dagmarkt, en zet ze achter een kraam.
Een nettere oplossing is de zakken mee te laten liften naar een andere stad. Mijn vuilnis
stond dankzij iemand die die kant op moest vanochtend in Haarlem op de stoep.
Index
Column Trouw 21 april 1999,
Natures Nightmares
Er ligt hier een stapel brieven waar ik met gepast schuldgevoel naar kijk. Niet te vaak, want
dat is een vervelend, te vermijden gevoel, maar wel elke keer als er weer een paar bovenop
worden gelegd. De onderste brief dateert nog van begin dit jaar, dus al maanden blijf ik in
gebreke als het gaat om het beantwoorden van lezerspost. Ik lees alles wel, en neem me ook
voor terug te schrijven, maar dan komt kleinkindje langs, en verdwijnt op slag de rest van
de wereld uit beeld. Terwijl die post beantwoorden echt een plicht is die bij het schrijven
columns behoort, denk ik, want columnist zijn is anders maar een malle positie, van iemand
die wat voor zich uit neuzelt, als een spookrijder op een zelfbedachte eenbaansweg, zonder
ooit op de claxonnerende of knipperende tegenliggers te letten. Vooral de hartelijke
briefschrijvers die naar aanleiding van de merels en de katten uitlegden hoe goed God toch
wèl is, wil ik bedanken. En nu weer gauw naar de dierentuin met kleinkindje. Vanwege haar
heb ik een passe-partout voor Artis aangeschaft, om de hoek. Verder is er in de stad niet
zoveel plek waar een klein kindje onbedreigd kan ijsberen, tijgeren of robbedoezen. Daar
kost het evenwel steeds weer de nodige inspanning om ethische dilemma's weg te denken.
Zo staat het op zondagmiddag zwart van het volk voor de krokodillenbak. Dan worden ze
gevoerd met grote lappen vlees en dooie beesten, dat vinden de mensen en de kinderen
leuk. Persoonlijk heb ik er geen enkel bezwaar tegen als de krokodillen geheel uit zouden
sterven, met de leeuwen, haaien, wurgslangen etcetera. Een paar keer een documentaire
gezien in de series 'Natures nightmares' en 'Natural born killers' waar National Geographic
Channel zo goed in is. Hoe krokodillen met van die metallic gele ogen direct vanuit het ei
eenvoudig alles wat beweegt en in hun malende kaken past krak-krak wegslokken, of het nu
een vis, een schitterende vogel of een andere krokodil is, een mijns inziens zinloos leven
lang.
Hoewel, elke keer dat wij gedachteloos in onze ogen wrijven, vermoorden we duizenden
levende wezentjes die zich in onze wimpers nestelen, en wie weet een heel gelukkig gezin
hebben opgebouwd, met ons blote oog niet waarneembaar - anders zouden we gruwelen -
maar de microscoop weet het wel.
Aan de andere kant: wie weet of onze hele fantastische aarde niet slechts één cel in het
lichaam van een voor ons onvoorstelbaar grote reus is. Heel belangrijk doen we aan
politiek, voeren oorlogen, richten monumenten op, menen het dierenrijk te controleren,
maar zijn zonder het te weten een organisme binnen een organisme binnen een organisme
enzovoort. We kunnen toch alleen bestuderen wat kleiner is dan wij, of wat binnen het
kader van ons bevattingsvermogen ligt. Zoals je, klimmend op een ladder wel kunt overzien
wat zich onder je uitstrekt, maar niet wat boven is. Het motto van Leonardo da Vinci schijnt
geweest te zijn: 'we zijn allen ballingen binnen de lijst van een vreemd schilderij, wie dit
beseft leeft groot, de overige zijn insecten'.
Index
Column Trouw 14 april 1999,
Merels Dood
Brute ontvoering uit wieg. Drieling verdwenen. Voor hun leven wordt gevreesd. Zo zou de
krantenkop luiden als het mensenkinderen betrof. Nu het om merelbaby's gaat, is wel zeker
dat ze opgevreten zijn, gewoon zoals de natuur dat voorschrijft tussen vogels en katten, en
voel ik me belachelijk dat ik loop te janken. Op straat babbel ik vriendelijk met de
buurvrouw, in de tuin haat ik haar, die ongetwijfeld nu op de bank ligt te kroelen met dat
vleesetende troetelmonster, het type waar de Nederlander 800 miljoen gulden per jaar aan
kattenvoer aan spendeert. En nog zijn die schurken nooit verzadigd. Weken bouwen vogels
aan hun nest, broeden en voeden toegewijd en trouw, maar met één hap van een kat is alle
liefdewerk zinloos verzwonden. En wat is dat nu voor eten, drie vogeltjes van twee dagen
oud? Op zo'n sterfdag loop ik behoorlijk te schelden. Op God. Rotgod. Rotschepper van
rotbeesten. Hoor dat maar goed! Zo'n dag maakt weer duidelijk dat als de mens werkelijk de
oorzaak zou zijn van alle kwaad, zoals de godsdienst leren wil, dat hoop zou geven. Door
goed doen, goed voorbeeld, goede opvoeding kun je dan hopen uiteindelijk de wereld te
verbeteren. Als kwaad echter zo zichtbaar en onuitroeibaar ingeschapen is in alle levende
wezens, dier en mens, wat moet je dan? God ter verantwoording roepen, lijkt me, in plaats
van masochistisch lof en dank te blijven zingen op z'n zogenaamde goedheid en almacht, en
schuld te belijden waar geen schuld is. Katten, krokodillen, mensen, ratten, vreten en
gevreten worden, Hij heeft het zo gewild en geschapen.
Ik mag graag kijken naar de 'Rand Mc Nally Histomap, the rise and fall of peoples and
nations for 4000 years', een lange kaart waarop als een rivier de volkeren in kleuren
stromen, nu eens aanzwellend, dan weer droogvallend. Eén eindeloze brij van opgaan,
blinken en verzinken, herhaald, herhaald, herhaald. Dat is de mensheid dus. Zo zal de
oorlog die nu woedt ook worden toegevoegd als vlekje, iets verschoven ten opzichte van de
vlek daarvoor. Al dat immense leed samengebald in één vierkant centimetertje, zoals deze
kaart er duizenden telt.
De Sesam-atlasjes bij de wereldgeschiedenis vertellen hetzelfde in handzaam formaat. Je
kunt ze gebruiken als die kleine stripboekjes waar je met je duim langsritst, en dan een
figuurtje ziet bewegen: een paar duizend jaar geschiedenis vertoont zich in enkele seconden
als een lappendeken die over de werelddelen ligt, en razendsnel van kleur verschiet. Het ene
moment heersen de Longobarden, het volgende de Alamannen, hop daar zijn de Franken, de
Russen, de Duitsers, rood, geel, groen, blauw, rood. Heldere overzichtjes van dat 'Eén dag
bij den Here is als duizend jaren en duizend jaren is als één dag'. Moord en doodslag
eindeloos. Met fijne pauzes toch ook, zoals hier en nu, bij ons, waar het tijdelijk heel erg
genieten is.
Soms kijk ik er best naar uit om dood te gaan, bang voor het laatste oordeel ben ik niet.
Integendeel. Met opgeheven vuist zal ik mijn Maker tegemoet treden: "Zo, leg het nu maar
eens precies uit". Hij zal Zijn scheppingsfout vergoelijken door te zeggen dat Hij net als
mensen ook zo graag en eeuwig naar bloederige series kijkt, vanuit de hemel naar de aarde
dus. Zal ik hem dan weer eens een zondvloedje voorstellen om z'n fouten uit te wissen?
Toch maar niet. Heb ik net die bende achter me mogen laten, komen ze me ineens met
miljarden tegelijk achterna! Na mij geen zondvloed. Het eeuwige leven op aarde voor de
bloeddorstigen, onder elkaar, is een beter idee. "Ik had het Zelf niet beter kunnen bedenken"
zegt God dan.
Index
Column Trouw 7 april 1999,
Merels Dood
We staan te wiebelen op het huishoudtrapje. Zo kunnen we net in het merelnest kijken, dat
in de bruidssluier hangt, naast het raamkozijn.
"Ik vind het zo erg, ik ga vijfentwintig gulden geven aan die vluchtelingen" zegt m'n
dochter.
"Heel goed", antwoord ik. "Geef maar wat, en zo'n bedrag is toch een behoorlijk offer voor
minimumlijer."
"Als iedereen dat doet, dan is dat zestien miljoen keer = vierhonderd miljoen gulden, dat
schiet lekker op", zegt ze.
Ik ben blij dat mijn kind zowel gevoelig is als realistisch. Op haar leeftijd, en met nog
geringer inkomen, heb ik eens ruim 36.000 gulden aan Vietnam-slachtoffers gegeven, het
erfdeel van mijn moeder. Dat zou nu nog een aardig bedrag zijn, maar wat huizen betreft
was het dertig jaar terug tien keer zoveel waard. Mijn broers kochten er dan ook
buitengewoon ruime optrekjes van. Spijt heb ik er nooit van gehad, maar terugkijkend wel
eens m'n hoofd geschud over dat hartstochtelijke maar labiele kind dat ik toen was. Ik dacht
dat ik ferme persoonlijke beslissingen nam, de enig juiste keuze tussen goed en kwaad
maakte, deed wat Jezus van me verwachtte. Veel later zag ik toch in, mede dankzij een paar
rustige gesprekken met een psychiater, dat ik wel erg doordrenkt geweest was met al te
kolossale waarden uit een bijkans negentiende-eeuwse opvoeding, en het christendom
natuurlijk: de smalle weg, het penningske, het oog van de naald, wat niet al. Het voelde toen
als een opluchting dat het geld weg was, niet meer in mijn bezit. Jezus bezat immers ook
niets?
Ik was al niet geliefd bij de familie, maar dat zakte daarna tot diep onder een nulpunt,
hoewel zij er geen spat armer van werden. En hoe arm ik later in bepaalde perioden ook
was, geen cent zou ik meer krijgen. Zo keerde mijn stiefmoeder aan alle elf haar
(stief)kinderen hun vaders erfdeel uit, behalve aan mij. Intussen begreep ik dat dit
misschien toch niét Jezus' goedkeuring wegdroeg, en gelukkig was een wereldse rechter het
daarmee eens.
Ook pas veel later besefte ik dat de artsen die zich inzetten voor dat Medisch Comité
Vietnam, zelf geen taartje minder aten, laat staan dat ze ook hun villa's weggaven. Maar dat
zag mijn jeugdige idealisme eerst niet. 'Verbeter de wereld, begin bij jezelf' was de slogan
immers.
Geld geven is prachtig, maar mag best naar verhouding zijn. Helaas kunnen we vaak niet
meer doen dan wat storten.
Een vriendin vertelde me hoe ze lekker met haar bordje voor de televisie zat, toen ineens de
tranen op haar aardappeltjes vielen, om de stromen hulpeloze moeders met kinderen.
"Zet die tv toch uit" zei ik haar.
"Dat zegt iedereen om me heen", antwoordde ze. "Maar we moeten toch iets doen? Kunnen
we die rotkerels niet eindelijk eens vervangen door moeders? Eenvoudige moeders, dwaze
moeders, niet van die politiek gestaalde krengen. Gewone moeders hebben wel wat anders
te doen dan oorlog voeren, die willen gewoon leven, met elkaar, en voor hun kinderen.
Zolang wij bestaan worden we al geconfronteerd met de agressie en ellende die mannen
over de wereld uitstorten".
"Zo is het" zei ik. "Zet die televisie nu maar uit, niemand daar wordt er gelukkiger van als
jij hier ongelukkig zit te wezen. Stort geld, en hoop verder dat er hier géen oorlog komt".
Onze mereleitjes kunnen nu elke dag uitkomen. We mogen deze lente weer erg genieten
van Gods goede schepping. Maar hoeven die buiten het mensdom verder niet te idealiseren.
Hoe vaak we die rotkatten van de buren al niet weg hebben moeten jagen! Het is een
wonder dat merelmoedertje nog leeft.
Index
Column Trouw 9 december 1998,
Varkensvlees
Na twee goedige, maar onopvallende schrijvers is nu de joker ingezet in de strijd tegen het
varkensleed. Alleen vraagt optreden in een one-man-show ander talent dan debatteren als
actievoerder. Met wetten, geld en centimeters werd Youp van 't Hek in een hoekje gepraat,
de brave Dikkertje Dap. Hij werd er mismoedig van. Aan de ene kant zag hij de uitwassen
van onze gelegitimeerde hebzucht, de gemaltraiteerde varkens, en aan de andere kant die
aardige, menselijke boeren. Op het laatst wist hij niks meer te zeggen dan: "Dit is raar". Van
't Hek is zo'n schurend zandkorreltje dat toch maar weinig uithaalt in het machtig
raderwerk. Goed bedoeld, maar de boer hij ploegde voort. Het varken (schaap, rund) wordt
wereldwijd al zo lang en intensief gebruikt dat het onze maatschappij èn onze levenskansen
diepgaand zou wijzigen als 't daar eens uit verdwijnen moest. In een millennialang
domesticatie-proces is het varkenslichaam naar ons toegegroeid, weg van zijn
oorspronkelijke vorm en gedrag. De bio-industrie is eigenlijk een tussenfase tussen het
antieke varkenshoeden, en een ideale vorm, als het varken meteen als rollade of worst
geboren zou worden, en zonder verder lastig te zijn op schappen ligt te rijpen.
Een boek dat aardig inzicht geeft in de domesticatie van dieren is 'De gouden kooi' van
Achilles Gautier. Het spannendste vond ik de vergelijkingen die gemaakt kunnen worden
tussen de evolutie van wild- tot huisdier en de ontwikkeling van de mens.
De moderne mens voldoet aan talloze kenmerken van domesticatie. Zo kunnen huisdieren
hun vacht verliezen, en hun lichaamsbouw verandert. Wat kaalheid en obsceen dikke billen
betreft hebben wij dezelfde weg afgelegd als het varken sinds het een everzwijn was. En
wat uiers betreft van het oerrund tot de prijskoe.
Voorts is bij tamme dieren de jeugd verlengd. De periode dat een beestje speels is en niet
agressief reageert op andersoortigen schijnt uitgerekt te worden, soms niet te eindigen. Alle
mooie acties om zinloos geweld uit de mensenmaatschappij te bannen, lijken dus pogingen
om deze domesticatiegraad op te voeren. Het eind van de menselijke jeugd ligt, gezien de
leeftijd van de doodslaanders, nu zo tussen de 16 en 20 jaar.
Ooit was er een columnistendebatje rond de absolute leeftijd die schrijvers zichzelf
toedichten. Dat is: zo oud als ze zich hun hele leven blijven voelen, hoe rimpelig ze ook
worden. De exacte leeftijden ben ik vergeten, maar Harry Mulisch, Hugo Brandt Corstius,
Theodor Holman, Theo van Gogh, allemaal voelden ze zich 12, 14 of 18 jaar. Eeuwig
onvolwassen dus. Gedomesticeerd in optima forma.
Alleen bant domesticatie geweld onderling, onder de eigen soort niet uit. Want nog een
kenmerk van gedomesticeerde dieren is het vervagen van het seksuele ritme. Een wild dier
kent een cyclus met een beperkt aantal seksueel actieve dagen. Hoe rustig zou onze
samenleving zijn als we nog zo'n bronsttijd hadden! Op een paar vruchtbare dagen per
maand na, zouden vrouwen dag en nacht veilig op straat kunnen lopen, geen man die er
naar taalde. Miljardenbedrijven als hoererij en pornobusiness zouden niet bestaan, gewoon
omdat er 27 dagen per maand geen vraag naar was, en die andere paar dagen wilden alle
vrouwen eenvoudig hetzelfde wat de mannen dan willen. De zegeningen die dat mee zou
brengen... want wat die constant opgepompte viriliteit van de mens vernielen moet,
beschrijven dagelijks de voorpagina's.
Maar met zo'n simpele bronsttijd zou onze samenleving onze mooie gedomesticeerde
samenleving dus niet zijn. De prijs van gemakken en culturele pretjes is hyperseksualiteit en
sublimering daarvan in geweld.
Niet voor niets is de grote boze wolf het alleroudste huisdier van de mens.
En nog steeds het liefste.
Index
Column Trouw 28 oktober 1998,
Rothonden
In een onderhoudend televisieprogramma trad eens een psycholoog op die mensen van hun
fobieën afhielp. Pleinvrees, spinnenangst, hij nam de bangeriken aan het handje en
bevrijdde ze. Leuk en logisch was het, want waarom zou een mens in wezen gevaarloze
dingen vrezen? Tot hij iemand toonde die van een zogenaamde hondenfobie af moest.
Wat?! Angst voor honden hoort juist bij de reële, gegronde, nuttige angsten. Angst voor
honden beschermt tegen de tanden van deze monsters. Daarom koester ik mijn
hondenfobie. Al is deze wat genuanceerder geworden na ervaring met een teckeltje. Ooit
verleidden mijn kinderen me tot een hond. Na jaren van zeuren kwamen ze op een dag met
hun liefste gezichtjes langs met een hondje dat precies in hun handjes paste: "Mam, dit
hondje vind je toch niet eng en vies en groot en stinkerig?" Met het gevolg dat moeder nog
jaren, toen de kinderen allang uitgevlogen waren, verpleegtehuisje speelde met een bejaard
hondje. Wij hadden geen hartelijke band, meer een goede taakverdeling: hij mocht mijn
huis het zijne noemen, luieren en eten zoveel hij wilde, en toen hij oud en blind werd zelfs
wildplassen en stinken. In ruil daarvoor leidde hij tijdens wandelingen de aandacht van enge
honden van mij af. Dat was eenvoudig, want honden hebben altijd in de eerste plaats
belangstelling voor andere honden. Zo heb ik zeventien jaar ontspannen kunnen wandelen,
zonder zelf gebeten te worden, terwijl er geregeld een Hound of the Baskervilles opdook
om happend op ons hondje af te stuiven, dat dan kermend op zijn rugje ging liggen. Tot er
uiteindelijk zo'n pummel van een baas aan kwam sjokken met de eeuwige smoes van de
rothondenbezitter: "Hij doet niks hoor". Zo gaf het beestje mij de gelegenheid vele honden
van dichtbij te bestuderen. Sinds Hond dood is, neem ik een flinke stok mee als ik in m'n
eentje ga wandelen. Rustig is dat nooit meer. Elke bewegende stip in de verte veroorzaakt
hartkloppingen, maar zodra ze dichterbij komen kan ik nu wel zien of het een vriendelijke
hond is of een kwaadaardige. De eerste zijn gelukkig in de meerderheid. Toch is het
onbegrijpelijk dat het wel verboden is om vreedzame vegetariërs als koeien en geiten te
houden op driehoogachter, terwijl elke gek zijn buurt mag terroriseren met van die
'strontmachines, kruissnuffelaars en kinddoodbijters' zoals een lezer gisteren zo treffend
formuleerde. De beste oplossing is: alle honden binnen de bebouwde kom verbieden.
Het fenomeen huisdier is sowieso voer voor psychologen. Waarom wil een mens dieren
opsluiten in kooitjes of meeslepen aan lijntjes? Dat moet met contactgestoordheid te maken
hebben. Of je bent niet in staat voldoende liefde uit te wisselen in menselijke relaties, dan
neem je dus een schoothondje, óf je wilt iets boosaardigs betekenen ten opzichte van andere
mensen: homo homini lupus, en dat draagt hij in vredestijd uit door zich te wapenen met
getemde wolven. Alles is mis aan hondenbezit: honden stinken uit hun bek, ze kennen geen
seksuele gêne, vervuilen de straten, eten kostbaar en met veel leed van ongelukkiger dieren
geproduceerd vlees, en àltijd bestaat de mogelijkheid dat ze bijten.
Verbieden zal wel teveel gevraagd zijn. Het begint het standaarddreigement te worden in
Nederland, dat ineens op alles toepasbaar is: niet verbieden, want het blijft toch gebeuren.
Door verbieden wordt het/men illegaal, en dat is dan veel onbeheersbaarder. In het geval
van de pitbulls blijkt het verbod inderdaad ontaard in het fokken van allerlei bastaards die
juist extra gevaarlijk zijn. Verbied dus eenvoudig alle honden. Als mensen toch leven in
huis willen, laat ze dan hun spinnen koesteren. Dat zijn tenminste rustige, vrije, nuttige en
goedkope huisdieren.
Index
Column Trouw 8 juli 1998,
Slakken
Wat is de natuur toch mooi, maar er moesten minder enge vieze dieren in wonen.
Pissebedden vind ik wel leuke beestjes, omdat ze zo gezellig met grote families wonen
onder potten die je onverwacht omkeert, en omdat het kreeftachtigen zijn en ik zelf een
Kreeft ben. Maar het meest nog omdat ze zo netjes aan vuilverwerking doen, rottende
bladeren eten. In tegenstelling tot het voorwerp van mijn diepe ergernis, de slak. s Avonds
plant je verse lobelia’s en afrikaantjes, s morgens hebben ze die alweer half kaal gevreten.
De keukenla ligt vol kleurige, lege zakjes van zaad, ooit verwachtingsvol gezaaid, alleen
maar om direct na het kiemen verorberd te worden door deze boef.
Er heerst een slakkenplaag. Dat komt door het natte weer. Slakkenkorrels zijn uit den boze,
dat geknoei met schoteltjes bier heb ik gestaakt, dat moet je elke dag verversen, ze kruipen
er toch niet in en ik drink het liever zelf op. Andere tuinliefhebbers, meest oudere dames
met erg lieve gezichten, melden dat ze de slakken wegplukken, in een jampotje doen en dat
dan legen op een braakliggend landje. Vertederend, maar dat doe ik niet meer. Daar zijn het
er teveel voor, het gaat te langzaam en ook ben ik een keer zon potje vergeten. Een week
later bleek het nogal smerig, om niet te spreken van mijn schuldgevoel tegenover de
slakken en hun glazen marteldood. Elke morgen de tuinschade inspecterend, groeide echter
de behoefte aan een definitief middel. Ze moesten dood en nooit meer terug komen. Hoe
dan? De methode liet zich aanschouwelijk uitvinden toen ik met een schaar wat
uitgebloeide bloemen stond te knippen en een slak tegenkwam: knip! Hoofdje eraf. De
slakken-guillotine, effectief en zonder lijden voor de ter dood veroordeelde. Al doende
merkte ik zelfs een zekere gretigheid bij deze arbeid, ik ging echt slakken zoeken. Wraak!
Drie soorten slakken grazen mijn tuintje leeg. De eerste is als mensen: alle variaties van
slank tot moddervet, en van donkerbruin tot bleekrose. De tweede is de bruine naaktslak,
een prachtig diertje met helder oranje franje langs z’n flanken. Die is nogal groot, waardoor
hij meer dier is, dus moeilijker te doden. En als ik dan niet snel knip, komen beelden en
muziek uit de film Microcosmos hem redden, en moet ik weer met jampotjes wandelen. Net
als de derde soort, de huisjesslak, die veel geduld vergt, want hij trekt graag z’n hoofdje in.
Dan wordt het weer minuten wachten voor hij zich veilig waant, en de executie snel en
correct plaats kan vinden.
Mijn man, die dierenvriend is van alle dieren, ziet liever dat ik de jampotjes-methode
handhaaf. Maar als dochter van een chirurg houd ik meer van radicale oplossingen, met een
mes erin. Toen ik me eens liep te beklagen dat de slakken met dezelfde gang leken te
jongen als ik ze vermoordde, begon hij te temen: "Ja, dat komt ervan, je gaat nog gestraft
worden. Die slakken hebben net zoveel recht op de tuin als jij...".
"Gaan we dreigen?", vroeg ik. "En wàt dan? Komt dan soms de Grote Slak langs? Die me
gaat straffen voor wat ik Zijn volk aandoe?"
s Avonds laat zat er op het aanrecht een enorme slak van een soort die ik nog nooit gezien
had, twee keer zo groot als de grootste naaktslak. Pikzwart met gouden strepen. De nacht,
en dat biertje dat ik de slakken onthield en zelf genuttigd had, riepen zachtjes een angstig
bijgeloof wakker.
Ik heb hem op een aardappellepel geschoven, en ben een eindje met ‘m gaan wandelen. Hij
woont nu in een andere tuin.
Hier gaat het kleine slakken knippen door.
Index
Column Trouw 12 maart 1998,
Rabbinale zelfverheffing
Dat geen enkele lezer (behalve Cliteur natuurlijk) naar de pen grijpt bij rabbijn Evers'
zelfverheffing boven de dieren, terwijl dat zo vaak gebeurt met heel wat onbenulliger
onderwerpen, zal komen doordat christenen tegenwoordig van vromigheid verfrommelde
smoeltjes trekken als een rabbijn spreekt. De vernietigingskampen fris op het slechte geweten, en
de leerhuis-mode van de laatste decennia - Jezus was toch eigenlijk een jood, daarom brengt
liefhebberen in Bijbels Hebreeuws ons dichter bij Hem - maken dat men, als een rabbijn spreekt,
denkt dat het dan pas ècht over God gaat. Rabbijn Evers spreekt overtuigend over bijbelse
richtlijnen, de joodse wet. En vindt hij daar niet voldoende argumenten, dan haalt hij er nog wat
rabbijnen en de midrasj bij. Louter patriarchale lectuur, doordrenkt van hiërarchisch denken,
waar geen hond, laat staan een vrouw of een varken wat aan heeft. Want waar je ook kijkt in de
wereld, waar heren aan de hand van door heren geschreven 'heilige' boeken de dienst uitmaken,
is het een rigide of gewelddadig, in elk geval liefdeloos zootje, of het nu SGP, Taliban, Vaticaan
of joodse orthodoxie heet: zwart is de kleur, tweederangs zijn de vrouwen en slaven de dieren.
Zwart is afwezigheid van kleur, is afwezigheid van liefde, warmte, blijheid. Zwart zijn de toga's,
soutanes, mantels, sluiers: nachtzwart, het zwart van rouw, van de dood, het zwart van de woeste,
ledige duisternis uit den beginne, en speciaal inktzwart, want de bedrukkende denkstilstand waar
de schriftgeleerden uit putten gaat uit van het onveranderlijke zelfgeschreven woord.
Het laatste wat dieren nodig hebben, is een man die met een boek tussen hen en hun schepper in
gaat staan. Zoals mannen ook altijd met teksten tussen vrouwen en haar schepper in hebben
willen staan, zogenaamd uitverkoren volken boven vreemde volkeren die God dan minder lief
zou hebben. Wat dieren, net als vrouwen en andere volken nodig hebben is dat ze aangekeken
worden. Kijk dieren eens aan. Niet in de dierentuin of het slachthuis, maar in de stilte van hun
natuurlijke omgeving, in hun vrijheid. Vooral iemand als rabbijn Evers zou daarvan wat op
kunnen steken, maar die steekt z'n neus liever in 1 belegen mensenboek dan zich door Gods
levende natuur zelf te laten onderwijzen. Waaruit hij dan haalt dat het dier niet in staat is tot
religieuze ontplooiing en hechting aan het Opperwezen. Wat weet hij van het contact van dieren
met God? Waarom zou dat niet directer kunnen zijn dan via ons bewezen troebele of boze
mensenverstand? Evers weet niets van de taal der dieren, doordat hij maar kauwt en kauwt op een
oude mannetjestekst, een soort pruim die steeds maar weer in een kring wordt doorgegeven,
geschreven door mannen zelf, die weer naar mannen zelf verwijzen. De waarheid van de
cirkelredenering. Bedacht door uiterlijk bescheiden mannen die in wezen zo hoogmoedig zijn dat
ze boven zich alleen maar een mannelijke God voor kunnen stellen, en onder zich een aflopende
hiërarchie van vrouwen, andere volkeren, dieren. Het blijft me verbazen dat zo weinigen, die in
de traditie van een/dé‚ Schrift zijn opgegroeid, het zo zelden gek vinden van zichzelf dat ze de
allerhoogste waarde hechten aan teksten van lui die ze nooit gekend hebben, uit culturen die
wezensvreemd zijn aan de onze, waar duizenden jaren tussen liggen. Uit tijden dat bijna honderd
procent van de mensheid analfabeet was, dat de orale verzincultuur over heus bestaande spoken
en monsters hoogtij vierde, dat nationalisme, slavernij en vrouwenvernedering deugden waren,
dat er nog geen videorecorders, journalisten, wetenschappers bestonden om uitspraken
onloochenbaar vast te leggen en te toetsen. Terwijl zo ongeveer ieder hedendaags levend
medemens gewantrouwd wordt.
Index