Religieuze rimram


Wat is God toch goed, 14 april 1999
God is een echte kerel, 13 januari 1999
Jezusbeeldje, 30 december 1998
Hoedt u voor bijbelvertalingen, 11 november 1998
Stamgod JHWH met de ellebogen, 14 oktober 1998
Eert Uw Vader, 30 september 1998
Jezusbeeld, 23 september 1998
Lekker kwetsen, 24 juni 1998
Het ouweltje van Margriet, 3 juni 1998
God rust op maandag, 25 maart 1998
Rabbinale zelfverheffing, 12 maart 1998
Verzoening vraagt bloed, 2 november 1997




Index    Rabbinale zelfverheffing, Column Trouw 12 maart 1998

  

Dat geen enkele lezer (behalve Cliteur natuurlijk) naar de pen grijpt bij rabbijn Evers' 
zelfverheffing boven de dieren, terwijl dat zo vaak gebeurt met heel wat onbenulliger 
onderwerpen, zal komen doordat christenen tegenwoordig van vromigheid verfrommelde 
smoeltjes trekken als een rabbijn spreekt. De vernietigingskampen fris op het slechte geweten, en 
de leerhuis-mode van de laatste decennia - Jezus was toch eigenlijk een jood, daarom brengt 
liefhebberen in Bijbels Hebreeuws ons dichter bij Hem - maken dat men, als een rabbijn spreekt, 
denkt dat het dan pas ècht over God gaat. Rabbijn Evers spreekt overtuigend over bijbelse 
richtlijnen, de joodse wet. En vindt hij daar niet voldoende argumenten, dan haalt hij er nog wat 
rabbijnen en de midrasj bij. Louter patriarchale lectuur, doordrenkt van hiërarchisch denken, 
waar geen hond, laat staan een vrouw of een varken wat aan heeft. Want waar je ook kijkt in de 
wereld, waar heren aan de hand van door heren geschreven 'heilige' boeken de dienst uitmaken, 
is het een rigide of gewelddadig, in elk geval liefdeloos zootje, of het nu SGP, Taliban, Vaticaan 
of joodse orthodoxie heet: zwart is de kleur, tweederangs zijn de vrouwen en slaven de dieren. 
Zwart is afwezigheid van kleur, is afwezigheid van liefde, warmte, blijheid. Zwart zijn de toga's, 
soutanes, mantels, sluiers: nachtzwart, het zwart van rouw, van de dood, het zwart van de woeste, 
ledige duisternis uit den beginne, en speciaal inktzwart, want de bedrukkende denkstilstand waar 
de schriftgeleerden uit putten gaat uit van het onveranderlijke zelfgeschreven woord.
Het laatste wat dieren nodig hebben, is een man die met een boek tussen hen en hun schepper in 
gaat staan. Zoals mannen ook altijd met teksten tussen vrouwen en haar schepper in hebben 
willen staan, zogenaamd uitverkoren volken boven vreemde volkeren die God dan minder lief 
zou hebben. Wat dieren, net als vrouwen en andere volken nodig hebben is dat ze aangekeken 
worden. Kijk dieren eens aan. Niet in de dierentuin of het slachthuis, maar in de stilte van hun 
natuurlijke omgeving, in hun vrijheid. Vooral iemand als rabbijn Evers zou daarvan wat op 
kunnen steken, maar die steekt z'n neus liever in 1 belegen mensenboek dan zich door Gods 
levende natuur zelf te laten onderwijzen. Waaruit hij dan haalt dat het dier niet in staat is tot 
religieuze ontplooiing en hechting aan het Opperwezen. Wat weet hij van het contact van dieren 
met God? Waarom zou dat niet directer kunnen zijn dan via ons bewezen troebele of boze 
mensenverstand? Evers weet niets van de taal der dieren, doordat hij maar kauwt en kauwt op een 
oude mannetjestekst, een soort pruim die steeds maar weer in een kring wordt doorgegeven, 
geschreven door mannen zelf, die weer naar mannen zelf verwijzen. De waarheid van de 
cirkelredenering. Bedacht door uiterlijk bescheiden mannen die in wezen zo hoogmoedig zijn dat 
ze boven zich alleen maar een mannelijke God voor kunnen stellen, en onder zich een aflopende 
hiërarchie van vrouwen, andere volkeren, dieren. Het blijft me verbazen dat zo weinigen, die in 
de traditie van een/dé‚ Schrift zijn opgegroeid, het zo zelden gek vinden van zichzelf dat ze de 
allerhoogste waarde hechten aan teksten van lui die ze nooit gekend hebben, uit culturen die 
wezensvreemd zijn aan de onze, waar duizenden jaren tussen liggen. Uit tijden dat bijna honderd 
procent van de mensheid analfabeet was, dat de orale verzincultuur over heus bestaande spoken 
en monsters hoogtij vierde, dat nationalisme, slavernij en vrouwenvernedering deugden waren, 
dat er nog geen videorecorders, journalisten, wetenschappers bestonden om uitspraken 
onloochenbaar vast te leggen en te toetsen. Terwijl zo ongeveer ieder hedendaags levend 
medemens gewantrouwd wordt.

Index    Column Trouw 2 november 1997, Verzoening vraagt bloed

  

Verzoenen is tegenwoordig vaak niet meer dan een politieke onderneming, 
meestal tussen twee haters, die het na veel gekissebis ternauwernood eens 
zijn geworden, waarbij het succesvolle einde bevestigd wordt door een zoen, 
een berekende vredeskus, niet meer dan een voorgeschreven rituele 
handeling. Zoals sovjetleiders met elkaar deden, of Joodse en Arabische 
leiders doen. Ook voor een paus of een dominee die een briefje schrijft dat 
het hem spijt wat zijn kerk heeft uitgespookt, koopt men qua verzoening in 
deze wereld niet veel.
Eigenlijk moeten zich, voor van welk soort verzoening dan ook sprake kan 
zijn, eerst een echte schuldige melden die schuld bekent, en een beledigde, 
beschadigde partij die bereid is genoegdoening te nemen. Zwart-wit. Voor 
wat hoort wat. Finale kwijting heeft de mens nodig. Daar moet iets tastbaars 
voor geofferd worden, voldoende voor de benadeelde partij om te zeggen: 
“Oké, zand erover”.  Want het oorspronkelijke woord, dat in de Bijbel met 
verzoenen vertaald wordt, betekent bedekken. Het geofferde bedekt de 
zonde, er wordt iets over een misdaad heen gelegd, zodanig dat deze niet 
meer zichtbaar is. Een (symbolische) vervanging van de geleden schade is 
nodig want anders... moet er mensenbloed vloeien. 
Verzoenen is oorspronkelijk iets tussen God en mens. God heeft regels 
gesteld, en de mens overtreedt die. Dan moet de mens maar dood. Want God 
verspilt in het Oude Testament nogal makkelijk mensen die zijn geboden 
overtreden. Gelukkig hebben we daar Exodus, Leviticus en Numeri, die 
eindeloos uitweiden over de manieren waarop men zich met God kan 
verzoenen, z’n schuld af kan kopen. Daar moeten talloze rammen, bokken, 
runderen, duiven enzovoort voor worden geslacht, hun bloed en vet op het 
altaar gesmeerd, of andere vieze dingen met hun lijken gedaan. 
Tegenwoordig zijn we te hygiënisch en te vegetarisch voor zulke praktijken. 
En je zou ook niet moeten denken aan al die bloedspetters, die lucht van 
reuzel in onze mooie witgekalkte kerken. Sinds Jezus’ bloed, netjes in 
wijnkelkjes, hoeft dat ook niet meer.
Twee bokken waren indertijd genoeg voor de zonden van een heel volk. Het 
bloed van één van hen werd op het ‘verzoendeksel’ gesprenkeld, zinnebeeld 
van Gods aanwezigheid. De ander de woestenij ingestuurd, zogenaamd 
beladen met zonden die het arme beest zelf niet begaan had. Een heel bekend 
gebruik, dat de joden ongetwijfeld bij de Babyloniërs hadden  geleerd. Die 
genazen bijvoorbeeld zieken (ziekte was vaak het gevolg van zonde tegen 
een god) door een schaapje in het ziekbed te leggen, dat als het ware de 
ziekte absorbeerde. Vervolgens werd het diertje geofferd, en het leed was 
geleden.
In zijn verlangen naar bloed, lijkt de God van Israël dus sprekend op zijn 
collega’s uit omringende culturen (die overigens ook Here genoemd werden 
= de letterlijke betekenis van Bel en Ba’al) voor wie net zulke uitgebreide, 
subtiel beschreven slachtrituelen bewaard zijn gebleven. Alleen blijkt nergens 
uit de tot drieduizend jaar oudere hiërogliefen of spijkerteksten dat deze 
goden mensenoffers eisten! Elke dag een schaap of een koe, dat lustten Enlil, 
Isjtar, Marduk enzovoort wel, maar nooit hoefde een gelovige voor hen zijn 
kind te doden.
Het verhaal van Abraham die Izaäk moet offeren is dus een voorbeeld van 
een uitzonderlijk bloeddorstige God! Op zichzelf al een angstaanjagend 
verhaal, maar enger en onbegrijpelijker vind ik dat dominees zich exegetisch 
nog steeds in bochten wringen om te verkondigen dat uit zo’n misselijke test, 
juist de liefde en trouw van deze God blijkt. Welke God, die door zijn 
volgelingen graag met ‘Vader’ wordt aangeduid, vraagt nu van een andere 
vader zijn kind te offeren? Alleen dus de God van Israël, die via joden, 
christenen en moslims nog steeds hele continenten beïnvloedt, in hun meer 
dan tweeduizend jaar oude geschiedenis van oorlogen, vernielingen, 
martelingen, genocides en vrouwenonderdrukking.
Ook in ‘het verzoenend bloed van Christus’ wordt nog steeds de 
mensenbloeddorst van die oude wrede, jaloerse woestijngod gelest. Daar 
heeft een weldenkend, esthetisch mens eigenlijk niets mee. Ik tenminste niet. 
Sinds Abel ligt Gods voorkeur bij mannen, en speciaal bij luitjes die dieren 
slachten, en zijn hunkering naar bloed zou pas definitief gesmoord zijn met 
het bloed van z’n enige zoon. Bah, wat een akelig bedenksel. Kan alleen 
bedacht zijn door mensen die zelf graag bloed zien, azen op macht en bezit 
via onderwerping, door zeer primitieve mannetjesbeesten dus. Van die hele 
constructie vind ik het ook zo merkwaardig dat Adam, met de hand gemaakt 
en leven ingeblazen, niet ‘Gods Zoon’ is, maar een jongen geboren uit een 
verre nazaat van deze Adam, wel. 
Een van de grootste problemen die ik ook altijd met deze Christus gehad 
heb, is de historische factor. Naast ‘waarom moest zoiets überhaupt 
gebeuren?’ blijft mijn vraag: waarom moest het precies toen en daar 
gebeuren? Wat was er mis met de miljoenen, wie weet miljarden mensen die 
overal ter wereld geleefd hebben vóór er tweeduizend jaar geleden op 35  
oosterlengte en 31  noorderbreedte ineens sprake was van De Heiland. Die 
zij, doordat ze Chinezen, Maori’s of Zoeloe’s waren, en (tien)duizenden 
jaren leefden voor deze allereerste kerstmis, nooit gekend hadden kunnen 
hebben? De Kerk heeft een fantastische oplossing voor dat probleem 
bedacht: in de drie dagen tussen zijn kruisiging en opstanding, is Jezus 
nedergedaald ter helle, en heeft iedereen die zich daar bevond, gered. Een 
arrogante veronderstelling dat alle voor-christelijke doden in een hel op 
verlossing zaten te wachten, en ook een verwerping van de levens, de 
culturen, de religies, kennelijk alles van alle niet-christenen die ooit geleefd 
hebben. Had-ie niet honderdduizend jaar eerder kunnen komen?
Kortom: waar het om draait in het christendom, het verzoenend bloed van 
Christus, is voor mij vanaf het moment dat ik zelf ging denken een raadsel, 
zelfs iets weerzinwekkends geweest. Dat moment van denken brak aan toen 
ik elf was, en er een steen op het graf van mijn moeder geplaatst werd met 
daarin ‘Joh. 3:16’ gebeiteld. Ik denk niet dat zij zich in haar graf omdraait dat 
ik zo loodrecht afwijk van haar levensmotto. Daar was ze te intelligent voor. 
Zij zou ook begrepen hebben dat iedereen voor een groot deel het product is 
van zijn familie, zijn omgeving, cultuur en tijd. Zijzelf kwam uit een warm 
gezin van zeer gelovige zendelingen. Een lieve vader-dominee, die zijn liefde 
voor Jezus voorleefde aan zijn kinderen, die zijn gezin bij elkaar hield en 
beschermde. Dan is het heel vanzelfsprekend dat je die gruwelijke bloeddorst 
niet zo interpreteert, maar door inprenting daarachter een trouwe vader ziet. 
Mijn vader wist echter niet hoe gauw hij zou hertrouwen en zijn eerdere 
kinderen van zich afstoten. De dominees in mijn omgeving gaven niet thuis 
bij vragen, of stuurden je weg met clichés. Huilend ben ik bij catechisatie 
weggelopen, en durfde daarna niet terug uit schaamte omdat ik gehuild had. 
Er was ook niemand die me terug kwam vragen. Daarna ben ik niet meer in 
de kerk geweest. Ik begrijp heel goed, ook dank zij psychotherapeutische 
hulp, dat het door het vaderbeeld uit mijn jeugd niet mogelijk is God de 
Vader als een liefhebbende entiteit te ervaren. De manier waarop een mens 
God ziet, heeft dus alles te maken met hoe een mens (gevormd) is, echt niet 
alleen bij mij. Ik ben het me door de gebeurtenissen in mijn jeugd alleen erg 
bewust. Des te erger vind ik die vreselijke constructies van het christendom 
waarbij slachtoffers ook nog eens tot schuldigen gemaakt worden, via de 
erfzonde, en dan dat gebakkelei van kerken tegen elkaar hoe of de genade 
dan wel plaats vindt: onmiddellijk, blijvend, voldoende, werkdadig, werkend 
of zelfs meewerkend. En aan wie die dan wel of niet versterkt wordt! 
Ik ben geneigd om de gnostici gelijk te geven: dit is een God die de wereld in 
zijn duistere greep bekneld en gevangen houdt, een projectie die als een 
donkere wolk het zicht belemmert op het ware Licht. Alleen wat vooràf ging 
aan die laatste, zogeheten verzoenende slachting op Golgotha (die tot kern 
van een godsdienst is getransformeerd) namelijk radicale geweldloosheid, 
opent een venster op het Licht. 
Degene die, met de tot Jezus verbasterde naam heel bekend is geworden met 
z’n houding van de andere wang toekeren, had het grootste gelijk van de 
wereld. Maar hij was beslist niet de eerste, en is gelukkig bij lange na niet de 
enige geweest die ingezien heeft/inziet dat geweld een eindeloze spiraal van 
bloedvetes veroorzaakt, die alleen gekeerd kan worden wanneer één van de 
partijen consequent niet meer terug slaat, en zich desnoods laat slachten. De 
andere partij moet dan wel zo gelijkwaardig zijn dat hij dit offer naar waarde 
schat, en ook zijn gedrag aanpast. Ik vrees dus dat het nog wel tweeduizend 
jaar duurt voor die oude boze mensenbloed drinkende God in zijn 
volgelingen is uitgeraasd, met al die supporters van clubs die met geweld 
tegen elkaar opbieden van ‘Onze God is de beste’, vanuit hun 
navelstaarderige godsdiensten met bijbehorende dwangneurotische 
handelingen. 
Iedereen met gezond verstand kan toch uitrekenen dat verzoening de enige 
weg is. Geen verzoening in de vorm van een magisch, van de Babyloniërs 
geleerd bloedoffer aan een kwaaie god, maar verzoening in de betekenis van 
je eigen zwakheid en angst erkennen, je boosheid beheersen, en idem van de 
ander niet kwalijk nemen en niet vergelden. De weg naar wereldwijde 
verzoening leidt mijns inziens dus via introspectie en zelfinzicht naar begrip 
voor de ander. Dus in plaats van zich vastpinnen op 1 boek (of 3 boeken: 
disparate verzamelingen teksten van dubieuze oorsprong) zou ik willen 
aanbevelen: de hele wereld massaal in psychotherapie. En dan dáárna nog 
eens open samen verder filosoferen over hoe de wereld met haar goden nu 
werkelijk in elkaar zou kunnen zitten.

Index    Column Trouw 14 oktober 1998, Stamgod JHWH met de ellebogen

  

Waarom kost het ene schilderij tachtig miljoen, en brengt het andere een tonnetje op? 
Waarom verkoopt de ene schrijver zijn boeken als warme broodjes, en wordt een ander 
nauwelijks gelezen? Het geijkte antwoord is dat de bestsellers gewoon beter zijn, unieker, 
meer waard. Wie wel eens door een achterafmuseumpje dwaalt of iets marginaals leest, 
komt tot andere conclusies. Sommig werk heeft gewoon dure advocaten die 
beleggersbelangen verdedigen, sommige schrijvers hebben veel neventalenten, te weten 
flair, trendgevoeligheid, televisiegeniekheid enzovoort. In combinatie met een volk dat op 
modes drijft en hunkert naar idolen om mee te dwepen, worden sommige producten alom 
geëxposeerd, op het netvlies gegrift, in het geheugen geprent, en zo overbekend dat de 
vraag of iets echt mooi is, niet meer gesteld mag worden. Natuurlijk is het mooi, het is 
toch een van Gogh, Picasso, Mondriaan! 
Een schilderij is niet iets waar men lang over blijft piekeren, een populair boek heeft 
helaas meer invloed. We zullen nu dus nog jaren doorsudderen over hoe het moet zonder 
Jezus sinds Kuitert. Terug naar de God van het Oude Testament, moet de slotsom zijn. 
Daar is iets wonderlijks mee. Over Jezus en christenen mag tegenwoordig werkelijk alles 
beweerd worden, als het echter tot de God van de Joden komt, trekt men gauw een 
grafgezicht want oei, dan gaat het schijnbaar om het echie, om de oudste en eerste God. 
Dan vergadert men zich vroom in leerhuizen om als christenen op z'n donder te krijgen 
voor het op de loop gaan met de Joodse oergeschriften. Terwijl JHWH minstens zo'n 
wonderlijke, syncretistische ontstaansgeschiedenis heeft als Jezus. Daarom is het nuttig 
eens aandacht te schenken aan een ander verfrissend boek, dat echter nauwelijks ophef gaf 
toen het verscheen: The Rise of Yahwism van J.C. de Moor (Leuven, 1990). Het leest als 
een detective. Een nadeel kan zijn dat het in het Engels geschreven is (wel met een 
beknopte Nederlandstalig voorlopertje: 'Uw God is mijn God', Kamper Cahiers, 1983) en 
barst van de noten. Dat laatste schrikt 'gewone' lezers meestal af, terwijl het juist een 
geweldig middel is om verder te lezen, mee te kijken in de bronnen, om in dit geval de 
vele honderden parallellen te kunnen vinden die er bestaan tussen Bijbelteksten en teksten 
van omringende godsdiensten. Een spectaculair deel van JHWH's epitheta, van zijn claims 
de enige God te zijn, z'n verschijningsvormen, daden, de lofliederen op hem, is congruent 
aan die van de Egyptische Amun-Re, de Babylonische Marduk en de Canaänitische Baäl 
en El. In feite is JHWH oorspronkelijk een en dezelfde als deze El. Ooit moet JHWH een 
proto-Israëlitische voorouder geweest, een held die, zoals toen gebruikelijk na zijn dood 
werd opgenomen in het pantheon, en door die bepaalde familie waartoe hij behoorde, later 
vereenzelvigd met El, de hoogste God ter plaatse. In de Late Bronstijd, die net als onze tijd 
in het teken stond van oorlogen, hongersnoden, epidemieën, volksverhuizingen en... 
verlies van respect voor goden, onstond de innige behoefte aan een betrouwbare God, die 
een contract sluit met mensen waar hij aan gehouden kan worden, die zich niet door 
andere goden van de troon laat stoten, die niet sterft, want sterker is dan de dood. Het 
wordt een orthodoxe reformatiebeweging die uitmondt in ethnische zuivering, want JHWH 
blijft een stamgod, al zijn z'n pretenties universeel. Zijn vechtlustig karakter kreeg hij 
doordat hij zijn rivaal Baäl moest overwinnen. In de loop der eeuwen heeft deze God, die 
alle andere goden eruit wil ellebogen, dure advocaten gehad, en vertegenwoordigers met 
veel neventalenten. Mag zulke informatie ook meedoen in de discussie? Of is dat niet popi 
genoeg?

Index    Column Trouw 14 april 1999, Wat is God toch goed

  

Brute ontvoering uit wieg. Drieling verdwenen. Voor hun leven wordt gevreesd. Zo zou de 
krantenkop luiden als het mensenkinderen betrof. Nu het om merelbaby's gaat, is wel 
zeker dat ze opgevreten zijn, gewoon zoals de natuur dat voorschrijft tussen vogels en 
katten, en voel ik me belachelijk dat ik loop te janken. Op straat babbel ik vriendelijk met 
de buurvrouw, in de tuin haat ik haar, die ongetwijfeld nu op de bank ligt te kroelen met 
dat vleesetende troetelmonster, het type waar de Nederlander 800 miljoen gulden per jaar 
aan kattenvoer aan spendeert. En nog zijn die schurken nooit verzadigd. Weken bouwen 
vogels aan hun nest, broeden en voeden toegewijd en trouw, maar met één hap van een kat 
is alle liefdewerk zinloos verzwonden. En wat is dat nu voor eten, drie vogeltjes van twee 
dagen oud? Op zo'n sterfdag loop ik behoorlijk te schelden. Op God. Rotgod. Rotschepper 
van rotbeesten. Hoor dat maar goed! Zo'n dag maakt weer duidelijk dat als de mens 
werkelijk de oorzaak zou zijn van alle kwaad, zoals de godsdienst leren wil, dat hoop zou 
geven. Door goed doen, goed voorbeeld, goede opvoeding kun je dan hopen uiteindelijk de 
wereld te verbeteren. Als kwaad echter zo zichtbaar en onuitroeibaar ingeschapen is in alle 
levende wezens, dier en mens, wat moet je dan? God ter verantwoording roepen, lijkt me, 
in plaats van masochistisch lof en dank te blijven zingen op z'n zogenaamde goedheid en 
almacht, en schuld te belijden waar geen schuld is. Katten, krokodillen, mensen, ratten, 
vreten en gevreten worden, Hij heeft het zo gewild en geschapen.
Ik mag graag kijken naar de 'Rand Mc Nally Histomap, the rise and fall of peoples and 
nations for 4000 years', een lange kaart waarop als een rivier de volkeren in kleuren 
stromen, nu eens aanzwellend, dan weer droogvallend. Eén eindeloze brij van opgaan, 
blinken en verzinken, herhaald, herhaald, herhaald. Dat is de mensheid dus. Zo zal de 
oorlog die nu woedt ook worden toegevoegd als vlekje, iets verschoven ten opzichte van de 
vlek daarvoor. Al dat immense leed samengebald in één vierkant centimetertje, zoals deze 
kaart er duizenden telt. 
De Sesam-atlasjes bij de wereldgeschiedenis vertellen hetzelfde in handzaam formaat. Je 
kunt ze gebruiken als die kleine stripboekjes waar je met je duim langsritst, en dan een 
figuurtje ziet bewegen: een paar duizend jaar geschiedenis vertoont zich in enkele 
seconden als een lappendeken die over de werelddelen ligt, en razendsnel van kleur 
verschiet. Het ene moment heersen de Longobarden, het volgende de Alamannen, hop 
daar zijn de Franken, de Russen, de Duitsers, rood, geel, groen, blauw, rood. Heldere 
overzichtjes van dat 'Eén dag bij den Here is als duizend jaren en duizend jaren is als één 
dag'. Moord en doodslag eindeloos. Met fijne pauzes toch ook, zoals hier en nu, bij ons, 
waar het tijdelijk heel erg genieten is. 
Soms kijk ik er best naar uit om dood te gaan, bang voor het laatste oordeel ben ik niet. 
Integendeel. Met opgeheven vuist zal ik mijn Maker tegemoet treden: "Zo, leg het nu maar 
eens precies uit". Hij zal Zijn scheppingsfout vergoelijken door te zeggen dat Hij net als 
mensen ook zo graag en eeuwig naar bloederige series kijkt, vanuit de hemel naar de aarde 
dus. Zal ik hem dan weer eens een zondvloedje voorstellen om z'n fouten uit te wissen? 
Toch maar niet. Heb ik net die bende achter me mogen laten, komen ze me ineens met 
miljarden tegelijk achterna! Na mij geen zondvloed. Het eeuwige leven op aarde voor de 
bloeddorstigen, onder elkaar, is een beter idee. "Ik had het Zelf niet beter kunnen 
bedenken" zegt God dan.

Index    Column Trouw 3 juni 1998, Het ouweltje van Margriet

  

Jong, rijk en succesvol. De ideale schoondochter en de ideale schoonzoon. Wat een 
snoezig en smetteloos stelletje ook, en wat een mooie, ontroerende trouwerij. Zoveel geluk 
en schoonheid en verbondenheid zou je toch iedereen toewensen! Maar waar gaan àlle 
brieven onder het kopje Maurits en Marilène over? Niet over wat God samengevoegd 
heeft, maar over wat de mens wil scheiden. En toch heeft de bisschop gelijk. Meteen toen 
ik het zag gebeuren begreep ik dat t ter communie gaan van Margriet een uiting van 
blijdschap was. Dat ze door zo te handelen, wilde tonen dat ze die schat van een 
schoondochter compleet in haar hart gesloten heeft. Vanuit protestants/oecumenisch 
oogpunt is er ook weinig verschil tussen 't ene hapje brood en het andere, en kun je dat best 
nemen. Maar elke katholiek weet dat wanneer op de juiste wijze door de juiste persoon 
bepaalde woorden worden gesproken, de Heilige Geest in werking treedt. Datgene dat uit 
niets iets kan maken, zoals bijvoorbeeld in den beginne. Die dus op wondere, voor 
mensenogen onzichtbare wijze een koekje transformeert tot het lichaam van Christus. 
Precies dit soort goddelijke magie is het protestantisme onderweg kwijtgeraakt. Die 
transsubstantiatie heeft een veel oudere traditie dan het dertiende eeuwse Trente, waar 
Pieter van der Ven gisteren over schreef. Al is het woord een modernere vondst, in het 
Nabije Oosten gebruikte men al ver voor er sprake was van joden, laat staan van 
christenen nauw omschreven rituelen om de goddelijke geest in voorwerpen te laten varen. 
De combinatie van innig geloof en het juist uitgevoerde ritueel door de juiste persoon, 
maakte bijvoorbeeld dat tijdens zon consecratie een beeld op dat eigenste moment de 
levende godheid zelf werd. Met Jesaja, die spot met het knielen voor een blok hout, noemt 
men dit nu heidens en gelooft er niks van. Maar in feite is geen verschil met de 
eucharistische gebeurtenissen, en die geloof ik wel. En precies daarom ga ik naar de 
Rooms-katholieke kerk. Niet om het gezag van de kille betweters uit de kerk van mijn 
jeugd in te ruilen voor het gezag van andere kille betweters. Wat mij betreft komt de hele 
wereld de hostie eten, zeker als het met zoveel kennelijke liefde gedaan wordt als door 
prinses Margriet. Maar los-zand-types als ik hebben dus vanwege dat soort meningen 
nooit leidinggevende functies in kerken, want die houden zon instituut door de eeuwen 
heen niet in stand. Daar zijn weer lui met een heel ander karakter voor, regelneven die de 
structuur bewaren. Types van steen soms, wat nodig kan zijn, anders stort het bouwwerk 
in elkaar. Ze hebben de hardheid van een Römer Topf, die de kok gebruikt om op het vuur 
het feestmaal te bereiden, uit de meest bonte ingrediënten. Dat heb ik altijd zo leuk 
gevonden aan deze Kerk, al die bonte denkwijzen, de geloofsverschillen die per land, door 
de tijd heen soms zelfs haaks op elkaar staan, en toch katholiek, van het woord holos, heel. 
Toch éen pot nat. Dat heel zijn is te danken aan strenge clubjes heren bij wie ik niet graag 
op de koffie zou gaan, maar waarvan je gelukkig niets merkt als in je de kerk bent. Ze zijn 
dus belangrijk, maar hoeven zeker niet overschat te worden. De heren die nu de dienst 
uitmaken, zullen op een dag weer vervangen zijn door andersdenkenden. Catharina 
Halkes maakte in deze krant eens de opmerking: "Alle veranderingen in de kerk zijn voor 
mij nooit een reden geweest eruit te stappen. Ik ben zelf kerk". De Kerk is heilig, haar 
dienaren zijn dat niet, en bovendien inwisselbaar. Hun meningen en regels zijn 
veranderlijk, God is dat niet.

Index    Column Trouw 23 september 1998, Jezusbeeld

 

Net had ik het nieuwe boek van Kuitert gelezen, over de vermorzeling van mijn 
Jezusbeeld, toen ik Hem tegenkwam. Op het Waterlooplein stond een oude prent van 
Jezus, wandelend door een gouden korenveld. Geschilderd zoals mijn herinnering 
voorschrijft: een schone jongeling in een witte jurk met lang bruin haar, zachte blauwe 
ogen en van die pianovingers. En niet te vergeten dat zwevende aureooltje boven Zijn 
hoofd. Normaal zou ik eraan voorbij lopen, maar 'Jezus' van Kuitert maakte me zo 
recalcitrant dat deze Jezus mee naar huis moest. Nader beschouwd is het wel een dweilerig 
portret, maar toch is het de Jezus van de plaatjesboeken vroeger thuis, de Heiland waar 
mijn moeder van zong, die zo levend voor haar was dat ze dagelijks met Hem sprak. Leren 
lezen, christelijk onderwijs, catechisatie zijn van later datum en hebben geen invloed op 
dat vroeg ingeprente beeld gehad, wel voor verwarring en verdriet gezorgd. Tot mijn eigen 
verbazing kan geen enkel boek, en ik heb wat Jezus-krakers gelezen, dit met de 
moedermelk ingedronken beeld vernietigen. De God der vaderen heb ik altijd een enge 
macho creep gevonden, maar het Jezusbeeld van mijn moeder blijkt onuitroeibaar het 
mijne geworden te zijn. Volgens Kuitert een ketters denkbeeld. Enig eigenlijk, om bij de 
ketters ingedeeld te worden door een theoloog. Al ben ik als  cryptogrammenmaakster 
geneigd om het tweede deel van dat woord als de verleden tijd van liegen te lezen, over 
theo, God dus. Kuitert veegt nauwkeurig het sneeuw van eeuwen theologenpraat over 
Jezus weg, wij moeten terug naar een joodse man die naar zijn joodse God wijst. Maar dat 
kan ik helemaal niet! De goddelijke Jezus waarmee ik geïmpregneerd ben, heeft niet 
alleen tweeduizend jaar door Europa gereisd, maar sinds mensenheugenis door de hele 
wereld. Die voorgeschiedenis mis ik in Kuiterts boek. Is die joodse God dan de eerste, 
enige echte? Welnee. In de tijd van de historische Jezus stond de Tora pas een eeuwtje of 
wat op papier. Met geweldige pretenties, dat wel, terwijl het een extreem nationalistische, 
racistische, seksistische compilatie van vertelsels is, stevig ingebed in omringende culturen 
waar aanwijsbaar leentjebuur gespeeld is. Wel nieuw aan de joodse God was zijn jaloezie, 
zijn eis de enige te zijn. De Bijbel ontkent het bestaan van andere goden niet, ze worden 
alleen verboden. In tegenstelling tot wat gebruikelijk was toentertijd: volkeren erkenden 
elkaars goden, zagen verwantschap, zodat de eigen god of godin in het buitenland heel wel 
samen kon smelten met een daar vereerde god. Handelingen 17 beschrijft hoe er nog in 
Athene een altaar was voor de onbekende God. Een mens kan niet alles weten, je zou er 
eens eentje vergeten.
Mijn eigen Jezus vind ik toch aantrekkelijker dan zijn voorganger de God van Abraham, 
Jacob enzovoort, die op de gekste momenten slachtpartijen aanricht. En dan 'Liefde' moet 
heten. Beslist aantrekkelijker dan zijn nakomeling Allah, die de mannen als 'opzichters 
over de vrouwen' heeft aangesteld, en verordonneert: 'Zij van wie gij opstandigheid vreest, 
vermaant haar en vermijdt haar op haar rustplaatsen en slaat haar'. En dan Erbarmer wil 
heten. Geef mij maar 'O kindeke klein, o kindeke teer'. Zijn kale afgepelde God, die heel 
abstract en ongetwijfeld diep mystiek is, mag Kuitert houden. Ik hoor bij de kinderlijke 
mensen waar hij 'laat maar' van zegt, die kaarsjes blijven branden voor het eeuwig 
goddelijke dat sinds onze jaartelling Jezus genoemd wordt. Waar wie weet de vrouwen in 
Ezechiël 8 reeds om weenden. En doe Maria en de hele santenkraam er maar gezellig bij, 
dat geeft wel zo’n warm veilig gevoel op deze verder godvergeten aarde.

Index    Column Trouw 30 december 1998, Jezusbeeldje

  

Kerststalletje weer inpakken? De zon schijnt, de kortste dag is alweer een week voorbij, de 
eerste groene puntjes van de bollen prikken veelbelovend door de zwarte aarde heen. Dan 
gaan kerstspullen ineens zo detoneren. Lief klein Jezuke steekt z'n porseleinen armpjes 
naar me uit. Blijf toch nog maar een weekje liggen in je namaakbakje stro, tot na 
Driekoningen. Het moet wel voor 't echie gespeeld worden, dit poppenhuisspel. De wijzen 
uit het oosten horen tot 6 januari in hun doos, en mogen pas vlak voor het opbreken van de 
stal hun geschenken komen brengen. Zoals Jezus zelf pas op kerstavond in de kribbe 
mocht. Alles op z'n tijd, volgens de traditie. Wordt dat doorbroken, dan knaagt het gevoel 
iets fout gedaan te hebben. Al doe ik dat af als kinderachtig, neurotisch bijna, voor de 
gemoedsrust is het beter om de handelingen in de juiste volgorde te blijven doen.
Met familie in het buitenland word je je bewuster van de inhoud van tradities. Op gezette 
tijden móét er speculaas en chocoladeletters gestuurd worden, er moet een kerststalletje 
mee, en scrabble voor oudejaarsavond. Een feest is geen feest zonder de vaste 
feestattributen. Maar wat is vast, en hoe oud moet iets zijn voor het traditie wordt? Wat 
waren de traditionele feestlekkernijen vóór de ontdekking van Amerika, en dus van de 
cacao, voordat de VOC de speculaaskruiden uit Indië haalde, en voordat er amandelen 
voor spijs geïmporteerd werden? Onze brave poppen in hun doos zijn in elk geval veel 
jonger dan het kerstverhaal. Dat ze koning zijn, met z'n drieën en van die mooie namen 
hebben, is een middeleeuws bedenksel. De beeldjes dateren pas uit de jaren '50. Maar we 
zijn zo aan ze gehecht dat ze waar zijn geworden. Het stalletje is anders incompleet. 
Waarom is het zo moeilijk om iets af te schaffen waarvan je weet dat het vrome rommel 
is? Door deze beeldjes niet uit te pakken, of zelfs weg te gooien, zou iets van vroeger 
ontkend worden, iets uit een tijd toen het leven nog goed was, en vader en moeder streng 
maar veilig regeerden. Tradities zijn slechts vroege en goede jeugdherinneringen, die uit 
nostalgie of dwangneurose op gezette tijden in beeld gebracht moeten worden. Je doet 
jezelf pijn als je ze afschaft. Je snijdt als het ware je lieve ouders uit, of een geromantiseerd 
beeld daarvan. 
Maar alle tradities hebben een begin, en domme mogen dus best eens een eind hebben. Die 
traditie van 't zinloze geweld van het vuurwerk bijvoorbeeld. Vorig jaar was ik in Nieuw-
Zeeland met oud & nieuw, waar o vreugde vuurwerk geheel verboden bleek. Dat spaart 
miljarden aan geld, scheelt talloze branden en afgeblazen lichaamsdelen. Men heft slechts 
het glas, zoent, en wenst elkaar hoorbaar een vredig nieuwjaar. 
Als kind hadden we een kinderjuf die zich om twaalf uur in de wc opsloot, met de hond 
die ook niet tegen vuurwerk kon, en doortrok, en maar door bleef trekken, tot alles voorbij 
was. We vonden het komisch dat het strenge chagrijnige mens zich zo liet kennen. Veel 
later begreep ik pas dat daar een diep oorlogstrauma aan ten grondslag moest liggen. Zelf 
kreeg ik al een haat tegen vuurwerk nadat iemand één keer een rotje in m'n jas gooide. Wij 
sluiten ons dus op in ons stille, goedgeïsoleerde huis en laten het plebs buiten razen. De 
televisie gaat ook niet aan, want met die jonge traditie, die van de volkslol op 
oudejaarsavond, op tv voorgezeten door een beroepsleukdoener, mag ook gebroken 
worden. Voor mij een rustig oud jaar dus, en u een gelukkig nieuw gewenst.

Index    Column Trouw 24 juni 1998, Lekker kwetsen


Een artikeltje schrijven met de bedoeling een stoet reacties los te krijgen is eenvoudig. 
Daar bestaan ongeschreven maar niet onbekende regels voor. Onderwerpen als sex, 
racisme en geloof scoren altijd hoog op brieven van verontwaardigde en geschokte lezers, 
wanneer de schrijver nèt over het randje van 't fatsoen meent te moeten gaan. Een niet al te 
domme schrijver weet, op het moment dat hij iets opschrijft: dit maakt massa’s mensen 
boos. En dus zwakt hij het af, of laat het weg. Want kwetsen was leuk in de jaren zestig, 
toen we net wakker werden en ontdekten dat er hele volksdelen bestonden die zich 
gekwetst gingen voelen als je poep zei, de tuttebellen. Dus zei je poep. Leuk! Ook thuis 
werd het een favoriet spelletje, dat tegelijkertijd heel leerzaam bleek. Dan prikkelde je de 
ander net zo lang met vieze of arrogante taal, met meningen waar je vaak zelf een hekel 
aan had, tot hij uit z’n vel sprong. Dan had je lekker gewonnen. "Hap!" werd er dan 
triomfantelijk geroepen, of  "ha ha, op de kast!". Het leerde je argumenteren, je eigen 
gevoelens onderzoeken, en die niet als zo dramatisch en absoluut te ervaren. Het leerde je 
om niet meteen himmelhoch jauchzend of zum Tode betrübt te raken van opmerkingen 
van anderen, om te begrijpen dat hun uitspraken meestal meer over hèn vertellen dan over 
jou. De beste verdediging, en het einde van de aanval was minzaam je schouders op te 
halen, en zeggen: "ja jochie, je hebt gelijk, babbel nog maar een tijdje door". Dat maakte 
de treiteraar machteloos, en in die machteloosheid woedend. En dan had jij dus weer 
gewonnen. Het voordeel van een groot gezin, en zeker als dat volzit met broertjes-
pestkoppen, is dat het een oefenterrein is voor het echte leven later. Groot geworden hoef 
je je nooit meer op stang te laten jagen door willekeurige meningen, je peilt direct de 
eventuele kinderachtigheid daaronder, de angst, de projecties. Daar lach je om, of je legt 
even fijntjes uit hoe de zaak wèl in elkaar steekt. Mij verbaast het dan ook dat dit spelletje 
toch nog steeds zo fervent gespeeld wordt, en wel door volwassenen en in het openbaar.
Als de vroomste pias van Rome, Antoine Bodar de hofnar van Trouw, weer eens met 
zoveel woorden belijdt dat hij de enige is die een rechtstreekse telefoonlijn naar God heeft, 
met dat refreintje van: 'Zo zijn onze manieren manieren, zooo zijn onze manieren', dan 
regent het voorspelbare brieven. Een dame klaagt dat hij haar in de gordijnen heeft 
gejaagd. Doe dat dan ook niet, zou ik zeggen, klim toch niet zelf in de gordijnen en zeker 
niet in de pen. 
Bodar lijkt op zo'n jongetje van vroeger dat zo intelligent was dat hij gymnasium alfa & 
bèta tegelijk deed, en toen theologie ging studeren, omdat God immers het hoogste is wat 
een mens kan bereiken. In feite zetelde dat superslimme hoofd op een broeinest van 
seksuele frustratie en onbewuste honger naar macht die het hele handelen bestuurden. Met 
zijn eruditie dacht hij iedereen te kunnen matten, en maakte zeker indruk bij minder 
geleerde luitjes. Voor ons was hij echter juist het makkelijkste slachtoffer om te voeren, op 
de kast of in de gordijnen te jagen (precies de uitdrukkingen die bij het spel horen). Omdat 
hij zichzelf zo bloedserieus nam.
Zulke jochies moet je gewoon negeren, hun ijdele gangetje laten. God weet waarom ieder 
mens, ook zulk een tiepje, bestaansrecht heeft. Daar hoef je je toch niet over op te winden? 
Leg volgende keer zo’n artikel weg, en pak een fijn boek om te lezen.

Index    Column Trouw 11 november 1998, Hoedt u voor bijbelvertalingen


Peter Schat zet drie Bijbelvertalingen op een rijtje, en pleit voor publicatie op die manier. 
Er bestaat echter al een uitgave met zes vertalingen naast elkaar. Toen ik die eens op de 
kop tikte, raakte ik verslaafd aan vertalingen. Intussen heb ik er tientallen, dus die nieuwe 
mag er best bij, naast al die andere onechte broertjes & zusjes van de grondtekst die in 
mijn boekenkast wonen. Hoe meer hoe beter. Vertalen is een zeer secuur werkje. Je hoeft 
maar een woord weg te laten of een synoniem te kiezen met een subtiel afwijkende 
betekenis, of er staat meteen iets heel anders. Vandaar dat elke ideologie vanouds z'n eigen 
vertaling maakte. Een voorbeeld van hoe zo'n Bijbelvertaling zelfs tot een ramp kan leiden 
gaf King James, die er persoonlijk op toezag dat het woord 'witch', (vrouwelijke) heks, 
geplaatst werd in Deuteronomium 18:10, waar Statenvertaling en NBG bijvoorbeeld 
'tovenaar' schrijven, en waar feitelijk een geslachtsloos werkwoord staat: 'het bedrijven van 
toverij'. De Engelse koning geloofde namelijk dat zijn leven bedreigd werd door heksen, 
dus hij had er belang ze door de Bijbel te laten verbieden. Onder zijn bewind vonden de 
eerste heksenvervolgingen plaats. 
Als je eenmaal weet hoe je voor de gek gehouden kunt worden met vertalingen, wil je de 
oorspronkelijke tekst kennen. Voor mij was dat tenminste de reden om Hebreeuws te gaan 
studeren. Het was grappig om vijf jaar tussen theologiestudenten te zitten die steeds 
ernstig hun zakbijbeltjes in de diverse vertalingen trokken om naast de grondtekst te 
houden, en soms maar twee zinnen per uur vertaalden omdat elk woord uitgebreid 
gewogen moest worden. Veel leuker dan dat tweedehands geïnterpreteer vanaf de kansel, 
dat je als kerkvolk zwijgend aan moet horen. Raar eigenlijk dat zo weinig christenen 
Hebreeuws en Grieks leren, dat ze zo klakkeloos genoegen nemen met vertalingen van 
teksten waar ze toch hun complete heil in menen te vinden. In dezelfde tijd die je besteed 
aan passief in de kerk zitten, of het lezen van populair navertelde verhalen, kun je je ook 
in de echte tekst verdiepen. Ik wilde altijd al graag weten waar de dominees hun kennis 
vandaan haalden, maar toen het me begon te dagen hoe ze me belazerd hadden met hun 
kinderbijbels en andere zoethoudertjes voor hun eigen gemak, wilde ik nog meer weten 
dan de dominees, dus ging ik een paar dode taaltjes studeren die het oude Israël 
omringden. Maar de Bijbel is m'n hobby gebleven. Toen ik op de televisie een uitspraak 
hoorde van Jacques de Milliano: "Mijn hart zit links", moest ik dus meteen aan Prediker 
10:2 denken. Origineel staat daar: 'Hart wijze aan zijn rechterhand en hart dwaze aan zijn 
linkerhand'. Daar kun je dan zoals de Statenvertaling dichtbij blijven en er een lopend 
zinnetje van proberen te maken, of je verandert het woord hart in 'geest' zoals het NBG, 
want iedereen weet wel dat het hart van alle mensen meer links in de borstkas zit dan 
rechts, en dat we dat ook niet in de hand hebben. De Roomse vertaling uit dezelfde tijd 
maakte ervan dat de wijze 'het verstand aan zijn rechterzijde' heeft, en de dwaas 'aan zijn 
linkerzijde'. Waar je je iets van twee verschillend functionerende hersenhelften bij kan 
voorstellen. De nieuwste vertaling verzint echter iets geheel nieuws: 'De wijze volgt altijd 
het goede spoor, de dwaas ontspoort voortdurend'. Die heeft begrepen dat de politiek 
intussen een waardewisseling teweeg heeft gebracht tussen de woorden links en rechts. 
Want De Milliano zal met zijn linkse hart toch zeker bedoeld hebben dat hij het op de 
juiste plaats heeft zitten.

Index    Column Trouw 13 januari 1999, God is een echte kerel


Jammer dames, hoe sympathiek uw oproep om 'Heer' nu eens door iets neutraals of 
vrouwvriendelijks te vervangen ook is, de bijbelse God blijft in al zijn vezels 
onmiskenbaar van het mannelijk geslacht. Er zijn wel fijnzinnige wetenschappers 
die zo diep achter teksten graven dat ze Hem ergens nog wat vrouwelijks toe 
kunnen delen, maar een gewone lezer wordt toch murw geslagen door de 
overweldigende hoeveelheid mannelijke epitheta, heerlijke aanduidingen en het 
bloeddorstig gedrag van deze Vader, Koning, Rechter, Herder, die eindeloos 
heerscharen aanvoert, 'sabaot', wat heus geen pacifistische engelen zijn maar 
oorlogsbendes. Een echte macho hierin ook dat hij voornamelijk tot mannen 
spreekt, door mannen beschreven is, over de hoofden van vrouwen heen, een Man 
voor mannen. 
Over de verschillende woorden die voor de bijbelse godheid gebruikt worden zijn 
geleerde boeken vol geschreven, die de vertaalcommissie vanzelfsprekend gelezen 
heeft. Toch klampen de heren zich aan 'Heer' vast, want een vrouw als 
leidinggevende is zoals bekend onaanvaardbaar voor de meeste mannen. 
Vrouwelijk kan Hij ook moeilijk gemaakt worden, maar er zijn goede redenen om 
dat He(e)re-gedoe te schrappen. Het heeft een heidense en feodale oorsprong - 
Adonis, Ba’al en Bel betekenen ook 'Heer' - en verder schrijft men geregeld Heere 
waar dit oorspronkelijk niet staat. 'Eel, Elohim' vertaalt men vanouds verkeerd met 
God, van 'Jhwh' wordt HE(E)RE met hoofdletters gemaakt en van Adonaj He(e)re 
met één kapitaal. Door die keuze kent de tale Kanaäns dus kretologie als 'Heere 
HEERE'. Dat al of niet spellen met kapitalen zal een vrome aanpassing van 
vertalers aan hun eigen eerbied zijn: het Hebreeuwse blokschrift onderscheidt 
namelijk geen grote of kleine letters. Met een keuze voor of tegen hoofdletters 
bezondigt men zich dus stevig aan inlegkunde in zinnetjes als 'Want de HEERE uw 
God, is een God der goden, en een Heere der heren'. Jehovah-getuigen hebben iets 
meer gelijk als zij het tetragrammaton lezen zoals zij doen. Er staat een naam 
(Joden zeggen 'de Naam' als ze hardop lezen), waarschijnlijk de naam van een 
verheerlijkte voorouder maar er is een etymologie die wil dat het een archaïsche 
vorm van het werkwoord 'worden' is. Sorry dames, maar dat is ook weer een 
mannelijke werkwoordsvorm. 
Dat God als Heer en Vader alles met projectie te maken heeft getuigen de titels in 
door mannen gesmede rangordes: dominee is dominus, 'heer' dus en woorden als 
paus, patriarch, pater, abt stammen af van 'vader' (in feite een gotspe van mannen 
die wel willen heersen maar te steriel en navelstaarderig zijn om verantwoording 
voor echt gezinsleven te nemen).
Dus meisjes, niet zeuren om een vrouwvriendelijk woordje, het is gewoon weer 
eens tijd om de theologie te herschrijven. Dat is in de loop der menselijke 
geschiedenis al zo vaak gebeurd. Er staat geregeld een mannetje op dat het beter 
weet dan z'n voorgangers, dat een openbaring krijgt of meent te hebben, en daar 
een nieuwe godsdienst omheen dirigeert, en om de paar honderd jaar heeft er zo'n 
vent groot succes dat eeuwenlang nagalmt. Dus laat er nu eens een vrouw opstaan 
met een verse profetie namens een vrouwvriendelijker God. De vrees is alleen dat 
ze weinig succes zal hebben. Om een godsdienst ingang te laten vinden zijn fikse 
doses geweld en politieke macht nodig. Wat heeft de bijbelse God de aartsvaders, 
richteren en koningen niet aan het moorden en veroveren gezet om het jodendom 
tot stand te brengen? Kreeg het christendom niet pas vaste voet in Europa nadat 
het door Romeinse legerleiders tot staatsgodsdienst gebombardeerd was en 
verbreidde de islam zich soms met zachte hand over de gebieden die het nu 
beïnvloedt? Nee dames, het wordt niets met een verse vrouwelijker theologie, en 
de bijbelse God omvormen is liegen. Wel kunnen we wat rommelen in de marge. 
Gods Geest die over de wateren zweefde is bijvoorbeeld van het vrouwelijk 
geslacht. Maar verder is deze God echt een man, en net als zijn ontwerpers een 
eenkennige seksistische kerel ook nog.
Bevredigender is het om rechtstreeks te proberen vonken van het eeuwig 
goddelijke op te vangen, dat zeker weten uitstijgt boven geslachtelijkheid. Waarom 
toch altijd dat kleven aan pappie's hand, die hang naar dode letters waarvan de 
oorsprong uiterst schimmig is? Ga leven. Ga toch zelf voelen wat het goddelijke 
ècht is. 

Index    Column Trouw 30 september 1998, Eert Uw Vader


De ingezonden brief van gisteren, over Balster van Duin die daarin verdacht wordt van 
'een gebroken, of versteend hart' omdat hij zijn vader niet 'eert', kan alleen zo gevoelloos 
zijn omdat de briefschrijver tot de oordelende types behoort die anderen fijn om de oren 
slaan met verwijtende, oudtestamentische teksten. En dan gemakshalve de 
nieuwtestamentische toevoeging vergeten: 'Vaders verbittert uw kinderen niet'. Een 
toevoeging die wonderlijk genoeg ook ontbrak in elk van de interviews met bekende 
Nederlanders onlangs, over de tien geboden. Moeders noemt Efeziërs 6:4 niet. Het zijn de 
vaders die hun kinderen verbitteren, ook toen al, door bij diverse vrouwen diverse 
kinderen te verwekken, en die heel divers te behandelen. De Bijbel staat bol van zulke 
ongelijkberechtiging. Een kind breekt zijn eigen hart toch niet? Dat wordt voor hem 
gebroken, door een vader die een andere moeder liever vindt, en dan haar kroost voortrekt. 
Roel van Duin kan zich scharen in een lange rij beroemde mannen die zo hun kinderen 
verbitterden, en daarbij het gelijk van de God van Abraham, Izaäk (boven Ismaël) en 
Jacob (Jozef boven Ruben) etectera aan hun kant wisten. Alleen een briefschrijver met een 
hart van steen geeft het door de vader verlaten kind de schuld van diens verlatenheid. 
Toch ben ik het eens met zulk eclectisch gepik in de Bijbel, want door zijn keuze maakt 
deze briefschrijver duidelijk dat zijn God een andere, een bozere is dan de mijne. Het mag 
duidelijk zijn dat ik een polytheïst ben. Monotheïsme wordt als iets verhevens beschouwd, 
polytheïsme zou dan heidense onzin zijn. Wie de wereld goed beschouwt, weet dat dit niet 
waar is. Het wemelt van de verschillende Goden. Naar aanleiding van mijn verhaaltje 
vorige week, kreeg ik brieven met het verwijt dat ik Jezus en God door elkaar haal (en er 
zelfs de gruwelijke Tammuz bijmix). Dat doe ik inderdaad, zo heb ik dat blijkbaar 
onuitwisbaar in me op willen zuigen. Uit alles wat op goddelijke gebied in de aanbieding 
is, distilleerde ik iets wat mij aanspreekt: een lieve, vergevende, bevrijdende God, die in 
deze aeon toevallig Jezus heet. Een heel vrolijke God ook, want het leven is al moeilijk 
genoeg. Een synthese van mythen en tradities die bekeerlingen door de eeuwen heen 
meebrachten uit voorgaande religies, met veel versiering en feestjes. Dat is dus ook een 
heel andere God dan waar Kuitert op uitkomt. Wat Kuitert in wezen doet is een nieuwe 
theologie ontwerpen, zoals zo vaak vóor hem is gedaan. Door ontmaskering van kerkvader 
zus die dit dogma bedacht heeft, en theoloog zo die dat systeem geconstrueerd heeft, wat 
dan allemaal niet deugt. 
Mensen die zich beledigd voelen door zijn boek, willen koppig onwetend blijven. 
Mensen die klagen dat Kuitert ze van hun geloof berooft, hadden geen geloof, want geloof 
is toch niet weg te redeneren? 
Mensen die verdrietig worden van dit boek zou ik willen zeggen: het is alleen maar 
Kuiterts eigen Werdegang. Hij is zijn eigen beelden aan het weghakken, zoals zovelen 
doen, alleen heeft dat door zijn bekendheid veel grotere impact. Dit is gewoon een 
theoloog die wetenschappelijk ontrafelt hoe fout zijn voorgangers waren. Maar hebben we 
theologen nodig om tot God te komen? De wetenschap kan veel ontrafelen, maar niet het 
goddelijk mysterie. Zelf laat ik gezaghebbers die zich met hun weetjes tussen God en mens 
wurmen, graag kletsen. Vaak is dat kletsen heel boeiend. Maar met mijn persoonlijke God 
heeft het niets te maken. Geloof is een gevoel waar geen woorden voor zijn. Godservaring 
is per definitie onverklaarbaar en hoogstpersoonlijk, anders is het loos gebabbel.

Index    Column Trouw 25 maart 1998, God rust op maandag


Een sympathieke actie van de kerken, tegen de 24-uurseconomie. De collectieve rustdag 
was één van hun plezierigste uitvindingen. Tegelijkertijd is het een naïeve, machteloze
actie. 'Werk, werk, werk' is het motto van Wim Kok. Daar giet hij dan een sociaal sausje 
over, en dan mag alles. De miljarden subsidies die grote bedrijven ontvangen, tegenover
de vernederende uniformpjes waarin men werkelozen hijst om hun tijd te verdoen, laten 
zien dat de economie, het bekende gouden kalf, geen enkele ethische remming kent. Geld 
moet rollen en walst overal overheen. In tegenstelling tot Koks motto is 't mijne 'rust, rust, 
rust'. Vroeger was die rust inderdaad op zondag te vinden, ook in de vrijwel autoloze 
binnenstad, waar de enkele medewandelaar al even bedaard slenterde. Nu blijf je liever 
thuis, als je niet hoort tot het volk dat dan in lawaaiige spijkerbroekenwinkels nog meer 
van hetzelfde moet kopen. Tegenwoordig vind ik stilte op andere momenten. Nu het lente 
wordt, bijvoorbeeld buiten, vlak voor zonsopgang. Wat is het leven daar mooi. En dan 
slaap ik graag wanneer het elders spitsuur is. Zodoende bevalt de 24-uurseconomie mij 
toch enorm, want ik wil rustig boodschappen doen als de rest van Nederland ligt te 
snurken. "We zijn natuurwezens' roept één van de actievoerende dominees, "die op gezette 
tijden rust behoeven". Nog meer waar is dat we ons zelfs niet tegen rust kunnen verzetten. 
Onze lichamelijke ritmes van in- en uitademing, de harteklop, het dag- en dagritme, geven 
aan dat niemand voortdurend in één ononderbroken lijn door kan draven. Dus vanwaar die 
angst? Alleen hoeft dat hollen- en stilstaanritme niet voor iedereen
aan dezelfde klok opgehangen te worden. Vanwege de overbevolking is spreiding van 
rusttijden wel zo ontspannend. Het kerkelijke ritme loopt vanouds gelijk met 
landbouwkalenders van mensen die, om te overleven, het zonnejaar maar speciaal ook de 
maancyclus nauwlettend volgden, die voor biologisch-dynamische tuinders nog steeds de 
leidraad is, omdat zij al wassend gewassen doet wassen, en dergelijke.
Zon en maan zijn later (volgens oudere goddelijke modellen) gepersonifieerd tot figuren 
als Jezus en Maria, met hun feesten in het 'zonnerad'. Het benadrukken van die natuurlijke 
ritmes door bijbehorende riten geeft het natuurwezen mens natuurlijk een goed gevoel. 
Hoe dogmatischer daarin, hoe aardser men feitelijk is. Wat komisch genoeg in 
tegenspraak is met de wens van orthodoxen om door zulk punctueel gedrag te ontstijgen 
aan de aardse zomp. Wie weet zoeft men door het breken met kerkelijke tredmolens juist 
met een sneltreinvaart naar het licht! 
Al eerder heb ik hier uitgelegd dat de zondag als Dag des Heeren geen Bijbelse rechten 
heeft. Jezus zelf hield zich, zij het op geheel eigen wijze, aan de zaterdag. De joden namen 
dat gebruik netjes over tijdens hun ballingschap bij de Babyloniërs, voor wie de maanfasen 
- elke zevende dag van de maancyclus - taboe-momenten waren. Het woord sabbat 
herinnert aan de Babylonische sebutum en sjapattum: zevende en vijftiende dag van de 
maanmaand. Maar Abraham kan die traditie ook wel eerder meegenomen hebben vanuit 
Ur, de stad van de maangod, uit dezelfde buurt. Waar het om gaat is dat de mohamedaanse 
vrijdag en de christelijke zondag als heilige rustdagen een nieuw jasje zijn voor de joodse 
zaterdag, die eigenlijk een natuurlijke 'maandag' is. Voor moderne stadsmensen zijn 
rustdagen op het ritme van maanfasen of seizoenen juist ónnatuurlijk geworden. Maar 
voor het verdwijnen van een 24-uurseconomie moeten we vertrouwen op een andere 
cyclus, die zich onafhankelijk van de zon- en maangebonden ritmes over jaren uitstrekt: de 
economische cyclus van groei en verval. Het gouden kalf wordt op een dag heus wel weer 
verbrand en vermalen.

Index