Column Trouw 28 december 2000

  

Toen ik maanden op zee zat, merkte ik dat de hele wereldpolitiek met z’n 
moordlust, geldzucht en machtshonger me de keel uithing. Als ik dan iets 
moest schrijven, dan liever over walvissen of albatrossen. "Daar is die 
column op deze plaats niet voor", begon de redactie te klagen. En als ik 
dan weer eens in de mensenwereld landde, en hun mailtjes las, en ook de 
kranten op internet, bleek ik allerlei rampen gemist te hebben. Maar ik had 
ze helemaal niet gemist! 
Vaak vraag ik me af: waarom moeten wij altijd alles weten van alle 
rottigheid op de hele wereld? In onze kleine leventjes kunnen we er zo 
weinig aan veranderen. Wat bijvoorbeeld aan het lot van Irakese vrouwen 
die voor hun huis de kop wordt afgehakt, beschuldigd van prostitutie, 
waarna men hun hoofd boven de deur spijkert? Ik weet dat het bericht waar 
moet zijn, het is een oergewoonte uit die contreien. Het hoofd van de vijand 
wordt apotropaeïsch, om andere vijanden te bezweren en schrik aan te 
jagen, op de buitenkant van het veroverde pand gehangen. Rudimenten 
van die gewoonte zie je bij ons nog in de monsters en gedrochten die 
kerken aan de buitenkant versieren. 
Waanzinnig schreeuwend onrecht. En toch wil ik even geen kranten meer 
lezen. 
Nieuws kan ook best maanden overslagen kan worden. Lees je je daarna 
weer in, dan blijkt alles z’n gangetje te zijn gegaan met variaties op 
klassieke thema’s. Dezelfde hoofdrollen worden vervuld door andere 
acteurs, dat is alles, net als in langdradige tv-series. Alleen zijn de thema’s 
in het nieuws gruwelijker dan in soaps.
Ik krijg er ook wel eens genoeg van om elke week weer een mening te 
moeten hebben over de actualiteit. De chimpansees in maatkostuum die 
het nieuws bepalen zijn niet de boeiendste figuren om je in te verdiepen. Ik 
lig liever op de bank met een mooi boek. En of ik me er wel of niet mee 
bemoei: die chimpansee-wereld draait en graait en maait toch 
zelfgenoegzaam door. 
Want dat is me echt tegengevallen aan het schrijven van columns: in 
tegenstelling tot wat lezers wel denken, het haalt niets uit. Soms schrijf ik 
namelijk wel eens iets zinnigs over een bijzonder ernstig probleem, waar ik 
een eenvoudige oplossing voor weet. Dan komt er geen enkele reactie. Het 
probleem ziekt lustig door. Maar schrijf ik over roos en haaruitval dan is de 
woedende post niet van de lucht. 
In de loop der jaren heb ik geprobeerd alle brieven, voorzover ze niet 
afgedrukt werden, zelf te beantwoorden. Soms groeide de stapel zo, of 
werd ik moedeloos van het privé-leed of de rode waas die columns 
genereerden dat ik wel eens wat onbeantwoord wegsmeet. Hierbij mijn 
excuses aan de schrijvers ervan. Het moet teleurstellend zijn om je hart uit 
te storten, en dan geen sjoege te krijgen. 
De leukste ervaring had ik tijdens een treinreis. Tegenover me zat iemand 
mijn column te lezen. Die foto hiernaast lijkt zo slecht dat hij me niet 
herkende. Mijn medereizigster begon voor de grap met hem te babbelen 
over ‘dat rotwijf’. Ik kon m’n lachen nauwelijks houden. Op een gegeven 
moment praatte ik ook maar mee, want hij herkende me echt niet. 
Verbaasd was hij, dat ik zo op de hoogte was: "u leest haar stukjes goed". 
"Ja meneer, elke week". Die lezer groet ik, met de beste herinneringen. De 
lezers die mij zijn gaan haten wens ik een vredige voortzetting van hun 
abonnement. Lezers die me wel mochten komen me vast nog eens tegen, 
D.V. ben ik nog niet uitgeschreven.