Ziekte, Ouderdom, dood


Zeuren in plaats van doodgaan, 6 oktober 1999
Oud en het niet willen weten, 10 augustus 1999
Oud en veel te rijk, 28 juli 1999
Handicapjes aborteren, 21 juli 1999
Tante's dood, 14 juli 1999
Nog meer ouwe zeurkousen, 3 februari 1999
Ouwe zeurkousen, 20 januari 1999
Iedereen is zielig, 2 december 1998
Kwakzalversbijgeloof, 19 augustus 1998




Index    Column Trouw 28 juli 1999, Oud en veel te rijk

  

Gelukkig hoef ik nooit meer te kamperen. De miezerigheid van die kale bruine plekken in 
het gras waar je tent op moet, waar nog bierdopjes en haarspelden liggen van andermans 
bivak, de stoffige of modderige paadjes naar de toiletgebouwen... Zo'n rij wc's die uit 
schotten op pootjes bestaat, waarin elk zuchtje hoorbaar is (om niet in bucolischer details te 
treden) geeft bij de herinnering alleen al voor een week constipatie. Sinds vrij kamperen 
niet meer kan, is kamperen zielig, en decadent ook. Met voor duizenden guldens aan luxe 
tentjes, ooit voorbehouden aan professionele Himalaya-beklimmers, plus idem 
sportkleertjes gaat bovenmodaal op primitief in groene getto's. Keurig in het gelid met al 
die andere fantasielozen met iets teveel geld, wakker liggen van 's buurmans gesnurk en 
gekeet, in de rij staan voor douches, en betalen voor alles wat thuis kosteloos is, of allang 
betaald. Terwijl thuis dus een heerlijk bed staat, koel, zacht, diep, en het belangrijkste: 
comfortabel en zindelijk sanitair, dat bovendien geheel privé is. Welke idioot werkt er het 
hele jaar hard voor een luxe huis, om dat juist als hij vrij is, leeg te laten staan om elders 
temidden van massa's op een luchtbedje te gaan liggen woelen?
Voor je ontspanning fietsen, de natuur opsnuiven, is ook niet meer wat het was, nu je op je 
eenvoudige barreltje voortdurend voorbijgescheurd wordt door horden opa's. In 
lichtgevende pakjes op superdure racefietsen zien de cardiofoben niets dan hun 
fietscomputertjes. De afgelopen decennia was de fiets het vervoermiddel van mensen die 
zich geen auto konden veroorloven, dus dat armoedige imago moet eraf als welgesteld 
Nederland uit fietsen gaat. Duidelijk moet zijn dat zulke heren aan het sporten zijn, van 
schoentjes tot helm verkleden ze zich à la Tour de France. Alleen, wat een aangename 
aanblik geeft bij een jongeman - bepaalde rondingen en uitstekende delen onder 
strakgespannen kunststof - wordt bij zo'n grijze sok potsierlijk of ronduit vies. Vooral als 
hij passerend zijn billen toont, of onbeschaamd wijdbeens op terrasjes gaat zitten om de 
nodige energiedrankjes te drinken. Ook recreatief wandelen is de onschuld ontgroeid nu 
hetzelfde type rijke oudjes alsmaar langsjaagt in marathontraining, wuft voorbij skeelert of 
in afritsbare broek op luchtkussentjesschoeisel iets van Pieterpad of Santiago de 
Compostella wil verbeelden. 
Bij deze vrijetijdsbestedingen moet alles zichtbaar geld gekost hebben en liefst in 
groepsverband geschieden. Het toppunt van collectief breed laten hangen vertonen groepen 
motorrijders. De heren hebben goed geboerd in een prettig beroep, hebben al voldoende 
auto's en huizen, genoeg golfterreinen bespeeld en vrouwen versleten en kopen zich dan 
voor zonnige dagen nog eens wat speelgoed om met hun jongensclubje de rust op de dijken 
te verstoren.
De enige vakantie die mij nu nog echt een gevoel van vrijheid kan geven, is de gratis 
vakantie. Terwijl er toch overnacht wordt in een sterrenhotel, namelijk thuis. Overdag gaan 
we dan scharrelen. Dat is pas echt vreemd en nieuw, scharrelen in je eigen omgeving. 
Lopen zonder haast, zonder plan, zonder modieuze outfit. Gewoon aandachtig rondkijken, 
Columbus spelen op de vierkante meter. Met een klein kindje aan de hand gaat dat nog 
beter. We bestuderen een oorwurm, we volgen een opwaaiend blad, tellen tegels, ruiken 
water, horen een meeuw, een mus, een spreeuw. 
Overigens gun ik iedereen van harte zijn kostbare reizen en showy karretjes. Bied maar 
lekker tegen elkaar op met je uitgaven, en vooral: ga maar flink ver weg allemaal. Ik 
verheug me zeer op de komende zonsverduistering, waarbij Nederland massaal leeg zal 
lopen. En dijken, fiets- en wandelpaden dus weer als vroeger voor de armoedszaaiers zijn, 
voor de enkeling die kan genieten zonder dat het geld moet kosten.

Index    Column Trouw 19 augustus 1998, Kwakzalversbijgeloof

  

De brievenbus kleppert. Post van professor Moustapha. "Ik ben die ik ben. Ik ben geboren 
als een medium vanuit mijn familie. Ik ben hier voor jullie, geen leven zonder problemen, 
liefde, sterkte, erge ziekten, sexuele problemen, bescherming, terugkeer van partner, werk, 
stoppen met alcohol, roken, geluk in zaken, geluk in alles. Ook in de toekomst. Absolute 
geheimhouding. Bel snel en kom. U kunt ook komen zonder afspraak. Bel voor een 
afspraak." Moustapha heeft vele collega's, allen professor of dokter of maraboe, die 
geregeld kleine briefjes in de bus stoppen, alle even krom van taal en even veelbelovend. Ik 
consumeer alleen uit de tweede hand. Bijna iedereen die er naar gevraagd wordt, heeft wel 
eens zo'n wonderdoener(es) bezocht. Zo nam een autochtone vriendin, christelijk ook nog, 
en gestudeerd, een kruidenbad bij een Surinaamse tovenaar. Dat kostte wel duizend gulden, 
maar werkte heus: een paar dagen later liep ze de man tegen het lijf met wie ze nu gelukkig 
getrouwd is en kinderen heeft, wat de wens was. Bloednieuwsgierig ben ik, naar wat er 
precies gebeurde in dat bad, wat de ingrediënten waren, maar onderdeel van de 
werkzaamheid schijnt daarover zwijgen te zijn.
Zoiets heet bijgeloof, een woord waar geringschatting in doorklinkt, als tegenstelling tot 
echt geloof dat geen occulte rimram nodig zou hebben. De grens is echter vaag, en goed 
beschouwd is die er helemaal niet, of alleen waar iemand hem zelf wil leggen, of iemand 
die van een bosje gelovigen een instituut weet te maken. Elk geloof heeft zulke 
randgebieden, die aanvullen wat de rechte leer ontbeert aan warmte, aanraking, contact. 
Volksmystiek is een aardiger woord. Het is een zeer druk circuit, met bloeiende handel, 
maar geen onderwerp waar dagelijks over geschreven wordt. Al staat het 'Noveen Sint 
Clara' vaak tussen de mini-advertenties, die geheimzinnige tekst waarin iemand anoniem of 
alleen met initialen aangeeft dat zijn of haar gebed verhoord is bij het ritueel branden van 
een kaars. Wie doet er eigenlijk niet aan zulke extraatjes, wie draagt er geen amulet of 
scapulier of symbool van één of ander geloof in de vorm van kruisjes, betekenisvolle 
edelstenen, handjes van Fatima? Een heilig ding bij je dragen, in huis hebben, of je even 
overgeven aan iemand die medium zegt te zijn, dus contact maakt tussen jou en de 
goddelijke wereld, wat een heerlijk houvast geeft dat, wat een hoop en een troost.
Nou goed, een klein beetje doe ik er dus wel aan. Op mijn computer staat een flesje 'Fluido 
contra influjo malefico' dat ik in een 'santeria' kocht, een winkel in een warm, katholiek land 
die ik wel leeg had willen kopen. Volgestouwd met wonderschone heiligenbeelden en 
wijwaterbakjes, maar net zo goed met de wonderbaarlijkste tovermiddelen. Vloeistoffen, 
poeders, kaarsen, wierook, in naam van elke denkbare heilige maar ook van duivels, voor 
rituelen uit te voeren tegen boze geesten of kwaadwillende buren, om de lotto te winnen, 
een examen te halen of een man of vrouw verliefd op je te laten worden. 
En ik hoor op de radio net zo graag een ordentelijke kerkdienst waarin de wonderdaden die 
Jezus en later ook de apostelen verrichten voor waar gehouden worden, als Jomanda. Het is 
ontroerend hoe ze nog steeds de mensen bemoedigt met wat ze 'door krijgt', en hoe innig die 
geloven dat het werkt. Soms is het wel om je een hoepeltje te lachen, en denk ik "het zal 
wel", maar tegen de tijd dat ik ook aan een vreselijke kanker lijdt, zit ik ongetwijfeld bij 
haar of Moustapha op de stoep, en niet bij een dominee die alleen met een oud boek in de 
weer is.

Index    Column Trouw 2 december 1998, Iedereen is zielig

  

'Sommige vrolijke gezichten zijn slechts schijn. Maar liefst drie miljoen Nederlanders 
hebben psychische problemen. Ze zijn depressief. Of ze worden angstig of agressief'. Ze 
hebben me weer ontdekt, de goede doelen, al heb ik adres en telefoonnummer laten 
blokkeren tegen ongevraagde handel. Eén ondoordachte gift aan zo'n doel resulteert erin dat 
je adres toch weer even voor 30 à 40 cent per keer doorverkocht wordt aan collega-
fondsenwervers. Dus valt er vervolgens een stroom dure bedelbrieven op de mat die hun 
geld op moeten leveren - porto, drukwerk, reclamebureau, huur, salarissen - en dan nog wat 
voor het doel zelf: 'Elk jaar worden meer dan drie miljoen Nederlanders het slachtoffer van 
een misdrijf en vallen er meer dan duizend doden en honderdduizend gewonden in het 
verkeer'. Wat moet je met die informatie? Storten, beveelt het aangehechte 
overschrijvingsformulier. Nou nee... ik heb van m'n leven al genoeg gedokt om mijn 
persoonlijke Geestelijke Volksgezondheid te restaureren, geheel ongesubsidieerd, en 
Slachtofferhulp kan de boom in sinds ik in elkaar geslagen ben en nog een maandloon aan 
de tandarts toe kon betalen omdat dit Fonds mijn leed niet schrijnend genoeg oordeelde. 
Hoeveel leed is er eigenlijk onder de mensen? De cijfers die de bedelpost geeft, en een 
weekje turven wat de media daarover melden, leiden tot een fascinerende optelsom van 
ziekten en treurnis: Nederland telt 886.000 arbeidsongeschikten, 400.000 bijstandstrekkers, 
1 miljoen mensen met een chronische longziekte, 650.000 alcoholverslaafden, een half 
miljoen mensen wordt gepest, 40.000 kampen met ernstige eetstoornissen als anorexia of 
boulimia. Dat is 9.776.000 mensen met grote zorgen aan hun kop. Andere aantallen zijn 
minder makkelijk in cijfers om te zetten, maar er sterven gemiddeld 372 mensen per dag. 
Reken voor elke dode drie nabestaanden die zo dichtbij staan - ouder, partner, kind - dat ze 
nauwelijks genoeg hebben aan de twee jaar rouwtijd die psychologen voorschrijven, dan 
komt het optelsommetje boven de tien miljoen uit. Tel alle ziekten, scheidingsverdriet, 
vluchtelingenellende wat niet al mee en trek van het totaal aantal Nederlanders de kleine 
kinderen, zwakzinnigen en senielen af: wie is er dan eigenlijk gezond en evenwichtig 
genoeg om de problemen van een ander op te helpen lossen? Zelfs een gezonde die dat 
tegen betaling doet, wordt er nog ziek van: onder verpleeg- en bejaardentehuispersoneel 
was het ziekteverzuim het eerste kwartaal van dit jaar 9,3 procent (het landelijk gemiddelde 
is 5,5 procent). Oeps, daar vergeet ik nog zowat de belangrijkste groep lijders, of althans 
degenen die al zon vijftig jaar zo ongeveer alle monumenten die voor ellende opgericht 
worden naar zich toetrekken: degenen met trauma’s uit de Tweede Wereldoorlog. Met als 
toppunt gisteren Ido Abram die pleit voor opvoeding met Auschwitz-prentenboeken voor 
kinderen vanaf nota bene drie jaar! Ik moet er niet aan dènken mijn lieve onschuldig 
dromende kleindochtertje nu al te moeten gaan vergiftigen met de openbare oorlogsellende 
van deze man, die ik zelf al vijftig jaar onvrijwillig mee heb lopen torsen. Walsers woorden 
zijn mij uit het hart gegrepen. Wegkijken is juist een teken van grote gevoeligheid. Het is 
wegkijken of afstompen. Met mijn kinderen ben ik indertijd voor hun opvoeding naar het 
Anne Frankhuis geweest toen ze twaalf en veertien waren. Ze moesten er allebei van huilen. 
Die leken me empathisch genoeg. Die hoefden voor mij niet nog eens jaarlijks met WO-II-
lijken om de oren geslagen te worden, er zijn al voldoende verse lijken als dagelijkse 
televisiekost, indien behoefte. Je wilt als ouders je kinderen toch zon onbezorgd mogelijke 
jeugd geven? Mag dat? Zo lang het kan tenminste, de ellende komt vanzelf wel naar ze toe. 
Zie boven.

Index    Column Trouw 6 oktober 1999, Zeuren in plaats van doodgaan

  

God, wat is sterfelijk zijn toch moeilijk. Dochter en advocate van de patiënt die 
'levensverlenging eist' krijgen uren spreektijd voor hun verontwaardiging. Automatisch 
roept dit krampachtig klemmen aan kwijnend leven de beroemde sterfscène op van 
Socrates, uit Plato's Faedo, zo ongeëvenaard mooi en troostrijk. Bedankt dames, voor de 
aanleiding om die te herlezen. En te bidden: als ik moet gaan, moge ik dan zó kunnen gaan. 
Socrates vergelijkt zichzelf met een zwaan die altijd zingt, maar wanneer hij merkt dat hij 
moet sterven, meer en mooier zingt dan ooit. Zwanen bezitten als godgewijde vogels 
helderziende kwaliteiten. Zij zingen niet slechts een laatste keer, de zwanenzang, die bij ons 
de betekenis gekregen heeft van allertreurigst afscheid, doordat muziek en literatuur 
stervende zwanen als hoogst tragisch opvoeren. Zwanen juichen omdat ze weten waarheen 
hun ziel vertrekt. Hier leven ze nauwelijks (meer) - maar in het hoge noorden kun je hun 
heerlijk geluid nog horen - die in het Zweeds en Fins sångsvan en laulujootsen heten: 
'zangzwaan', in onze taal slechts wilde zwaan.
Een vriend probeert Socrates nog over te halen het drinken van de gifbeker uit te stellen, 
verwijzend naar het gedrag van andere ter dood veroordeelden, maar Socrates antwoordt 
(vertaling Gerard Koolschijn): "Het is logisch, Crito, dat de mensen die jij bedoelt dat doen. 
Zij denken er iets mee te winnen. Maar het is even logisch dat ik dat niet doen zal. Ik geloof 
niet dat ik er iets mee win wanneer ik wat later drink, behalve dat ik me in mijn eigen ogen 
belachelijk maak wanneer ik me vastklamp aan het leven en spaar terwijl er niets meer is." 
De verteller moet huilen als hij Socrates ziet sterven, en weet dat hij om zichzelf huilt, 
omdat hij zo'n vriend moet verliezen, terwijl Socrates juist intens gelukkig is. Zijn einde 
wordt beschreven als 'groots en vrij van angst'. 
Hoe Socrates tot deze overgave aan de dood komt, in feite altijd naar de dood toeleeft, laat 
Plato hem in tal van gesprekken uitleggen. Een op de goddelijkheid gerichte mens moet 
zich niet identificeren met het lichaam en de brij van emoties die daaraan hangt, geef dat lijf 
puur wat het nodig heeft, zonder het te laten heersen. Evenwel ook zonder het misverstaan 
dat godsdiensten binnengeslopen is, dat het lichaam onderdrukt moet worden. Om het 
tenslotte in dankbaarheid los te kunnen laten als de tijd daar is. In plaats van getouwtrek 
rond het sterfbed. 
Zoals gewoonlijk geeft God niet thuis bij protest tegen de dood, ook bij bovengenoemde 
patiënt niet, dus richt hij, via zijn dochter, zijn woede op de medemens. De strijd lijkt nu 
over ethiek te gaan, over de maatschappelijk aanvaarde prijs van een mensenleven, het 
afwegen van de kostbaarheid van het ene leven tegen het andere. In wezen gaat het om 
verplaatste, weggeduwde doodsangst. Was ons einde maar schitterend, als het vuurwerk 
waarmee het oude jaar wordt uitgezwaaid, uitgeluid met gebeier van de grootste klokken. 
Daarentegen liggen we hijgend, klein en machteloos in bed, zien de Man met de Zeis 
naderen, onverstoorbaar, onafwendbaar, en zijn te zwak om zelfs nog naar Isfahan te 
vluchten. Een dood van niks. Als je dan lekker iemand de schuld kunt geven, zoveel stennis 
maakt dat het groots de media haalt, krijgt de eigen dood tenminste iets heroïsch, dan heeft 
zo'n sterven nog betekenis. Denkt de door het lichaam bezetene. Mijn recept voor deze 
stervende levenafdwinger is een dosis Socrates. Als ik zijn dochter was zou ik, in plaats van 
uren te gaan sippen bij Witteman, die kostbare restjes tijd besteden aan voorlezen. God 
geeft immers eerder levend antwoord in de geest, dan in het lichaam.

Index    Column Trouw 10 augustus 1999, Oud en het niet willen weten

  

Twee jongens mogen op de plaatselijke tv een plein vol zomerse wandelaars 
becommentariëren: "Vooral oudere mannen, van een jaar of veertig, tegen de vijftig aan, 
hebben er last van dat ze denken 'kan mij het verrotten, ik trek gewoon niks aan', denken dat 
alles maar getoond kan worden. Ze doen nog wel een broek aan, dat wel. Men heeft geen 
natuurlijk schaamtegevoel meer." Het gesprek gaat verder over leggings, die mooie benen 
accentueren, maar ook andere, die soms beter gemaskeerd kunnen worden. De camera 
zwenkt van een paar elegante stelten naar twee trechtervormige puddingen. 
Het is warm, maar de jonge sprekers zien er patent uit, in een fris hemd en lichte lange 
broek. De jeugd geeft het goede voorbeeld, nu het moderne misverstand heerst dat iedereen 
alles maar uit mag trekken als het warm is. 
Het zijn niet zozeer de lichaamsvormen waar niemand iets aan doen kan, die walging 
inboezemen, het gaat over verzorging en aandacht, over rekening houden met de 
gevoeligheid van kijkers. De zon verleidt de onnadenkenden ineens tot het tonen van details 
die alleen een geharde medicus onder ogen zouden moeten komen. Kalknagels, gebarsten 
eeltranden, vetbobbels en knobbels vol aderen en plekken in alle kleuren van de regenboog. 
Veel van de vleeswaren zouden ook een veterinaire slachthuiskeuring niet passeren. Is dat 
vrijheid? En voor wie dan? Ik huiver van een naakte rug voor me in het postkantoor, 
waarop de meeëters ontelbaar zijn, tussen de puistjes, de haartjes, de vlekken. 
Een goede inbreng van de islamitische cultuur is dat meesten zich daarin decent weten te 
kleden. Komend uit veel warmere landen weten zij ook dat kleren uittrekken niet altijd 
verkoeling brengt. Een lang gewaad waar de lucht doorheen kan spelen is bij warm weer 
veel comfortabeler. En waardiger, zeker als bij het klimmen der jaren of het toenemen der 
kilo's de visuele aanbiedbaarheid af is genomen.
Schaamteloos ontkleden is egocentrisch. Je dringt een toevallige passant de aanblik van 
jouw lichaam op. Als dat lichaam heel mooi en jong is kun je er mensen mee in 
verlegenheid brengen, door lastige begeertes aan te wakkeren, en als je oud wordt - en voor 
de jeugd is veertig dus al oud - wek je bij teveel bloot meewarigheid of afkeer op. Waarom 
zijn jonge mensen zich wel bewust van het effect van hun lichaam, en is de middelbare 
leeftijd zo bot en brutaal in het uitventen van lellen en vellen?
Natuurlijk krijg ik boze brieven van sportieve oudjes die insinueren dat ik ze weer in zwart 
pak en korset wil hijsen. Maar er is verschil tussen gezond en waardig oud worden, en 
krampachtig de ouderdom ontkennen. Opvallend is dat oudere sporters nooit lachen. Hard 
rennen of fietsen is duidelijk niet leuk, de gezichten staan nors, terwijl ze uit hun lichaam 
proberen te peuren wat er niet meer in zit. Dan worden ze ouder met spijt, ingehaald en 
uitgelachen door gloriërende jongeren. En vervolgens zeuren ze dat de jeugd geen respect 
heeft voor ouderen.
Is oud worden een probleem? Niet als je het leven als geheel ziet, en de ouderdom als een 
natuurlijke fase met eigen genoegens, àndere genoegens dan die van de jeugd. Wie ouder 
wordt, beseft deel van de geschiedenis te zijn, wordt historisch. Om je heen groeien mensen 
op die nog met de waan van de dag mee moeten zwenken, terwijl jij overzicht gekregen 
hebt, niet meer achter je domme hormonale oprispingen aan hoeft te jagen. Het zal Prediker 
wel zijn, die me inspireert tot het voornemen om waardig oud worden. 'Mutton done up as 
lamb' laat ik graag over aan alle oudjes die daarom boos op me zijn.

Index    Column Trouw 3 februari 1999, nog meer ouwe zeurkousen


Een wenk voor schrijvers van ingezonden brieven. Enveloppen waar een naam op staat, 
worden ongeopend doorgestuurd naar de columnist, de inhoud komt niet in de krant. Dit 
zijn meestal de vrolijke reacties. Mensen die zich ergeren schrijven juist aan 'de redactie' en 
wie echt woedend is aan 'de hoofdredacteur'. Uit die post wordt dan een selectie gemaakt 
voor de brievenrubriek. Draai het eens om. Richt uw boze brieven aan mij persoonlijk, en 
stuur de adhesie naar de redactie. Nu geven de gepubliceerde reacties zo'n eenzijdig beeld 
van knorrigheid. 
Mijn visie op lijden en dood is mede gevormd door mijn eerste opleiding, de verpleging. 
Voor m'n twintigste had ik al vele tientallen mensen zien sterven en afgelegd, meer dan de 
meeste mensen in een lang leven. Zonder (groot)ouders om een & ander te relativeren, 
vormt dat je tot een ander type dan mensen worden met uitzicht op een langlevende 
familiestamboom. Zelfs toen ik jong was, had ik nooit het idee een heel leven voor me te 
hebben. De ervaring leerde toch dat het toch elk moment afgelopen kon zijn? Die new-age-
cursussen die onderwijzen hoe in het moment van het hier en nu te leven, had ik via de 
praktijk allang uit.
Toen ik kinderen kreeg, leefde ik in de angst dat ze wees zouden worden, en telde de jaren: 
gelukkig, ze zijn al vier jaar, vijf, zes. Niet dat ik zo vreesde voor m'n eigen leven, want dat 
brengt zo'n vroeg inpeperen met de dood ook mee: leven, dus zeker je eigen leven, is 
kennelijk niet iets om aan te klampen, het is zó weg. Maar kleine kindjes wil je toch 
beschermen tegen ouderloosheid. Zeker als je daar ervaring mee hebt.
Tot mijn verbazing ben ik zomaar toch tamelijk bejaard geraakt, ouder dan mijn moeder en 
haar moeder mochten worden, zelfs oma, wat zij nooit werden. Onverwachte cadeaus. Wat 
ik verwachtte van het leven, en dat was niet veel, heb ik ruimschoots gekregen, plus de 
bonus dat ik mijn kinderen op mocht zien groeien tot aardige volwassenen. 
Nu heb ik nog wel een wens - te weten wijs worden - die indertijd geboren is toen ik 
meemaakte hoe extreem verschillend mensen hun aftakeling en sterven kunnen beleven. De 
één is rancuneus, verbitterd, krampachtig, de ander tevreden, vol overgave. Een vrouw 
strekte blij haar handen uit en zei: "Ik word gehaald". Je zag het gewoon licht worden om 
haar heen, op het moment dat ze stierf. 
Ouderdom komt onvermijdelijk met gebreken, aan de dood ontkomt niemand, dus is het 't 
beste om je goed voor te bereiden (daar krijg je dat lange leven immers voor) en als de tijd 
daar is, zo waardig mogelijk afscheid te nemen, zonder kinderen, dokters, de overheid (of 
een columniste) de schuld te geven van de ellende die de natuur voor je bedacht heeft. 
Michel de Montaigne, die mijns inziens dezelfde 'fabrieksfoutjes' door z'n essays weefde als 
ik schijn te doen, schreef ik hier 't liefst helemaal over, zoals hij op zijn beurt zijn werk 
doorspekte met antieke wijsgeren. Een paar citaatjes dan maar, uit de rijkdom van 
'Filosoferen is leren hoe te sterven' (lees dat boek): "Geen man is zo afgeleefd dat hij niet, 
zolang hij Methusalem voor ogen heeft en die niet heeft ingehaald, denkt nog twintig jaar 
mee te kunnen. En dan, arme dwaas die je bent, wie heeft jouw uiterste tijd van leven 
eigenlijk voor je vastgesteld? Je verlaat je op de sprookjes van de artsen. Kijk liever naar de 
realiteit en wat de ervaring leert. Je instellen op de dood, is je instellen op je vrijheid. Wie 
geleerd heeft te sterven, heeft afgeleerd om slaaf te zijn."   

Index    Column Trouw 20 januari 1999, Ouwe zeurkousen

  

Even op twee columns reageren. Net als bij Tamara Benima slaat ook in mijn omgeving de 
sterfelijkheid toe. Gelukkig sterft het hier alleen van de oudjes. Toen de moeder van een 
vriend onlangs overleed, moest ik me inhouden om niet te zeggen: 'Gefeliciteerd, 
opgeruimd staat netjes'. Zolang ik hem ken, klaagt hij over de dwingelandij van het 
ziekelijke, manipulerende mens. God zal de zin van hun bestaan wel kennen, maar wat zijn 
er toch nare boze ouden van dagen. Laten we het eens over zinloos geweld hebben zeg! Ze 
steken niet en ze schieten niet, maar het mensonwaardige gedrein van bejaarden is grof 
geweld in een subtiele verpakking. Speciaal dat type ouderen dat zichzelf een akelig 
karakter aangemeten heeft, dus geen vrienden maakt en dan gaat zeuren over eenzaamheid 
en de onverschilligheid van de mensen. Altijd klagen en toch maar niet dood willen. Hun 
kinderen treiteren met knorrigheid en loophekjes, luiers en seniliteit. Honderd keer 
hetzelfde verongelijkte verhaal afdraaien van 'wij hebben Nederland opgebouwd, wij 
hebben in het verzet gezeten'. Dat vegeteert maar voor de televisie, verziekt de omgeving 
met norsige hangkoppen. En dan komt Masoeme Abbrin met een verwijtend stukje over 
iemand die haar moeder in een tehuis heeft opgeborgen. Nee, dan moet je in haar cultuur 
wezen. Daar is de familieband tenminste warm en hecht. Persoonlijk krijg ik een beetje 
genoeg van die vergelijkingen tussen culturen waarbij de Nederlandse altijd slechter uitvalt. 
Waarom is Nederland dan toch zó populair bij vreemdelingen dat het dringen is op 
Schiphol? Je zult toch slaaf zijn van zo'n warme, superieure cultuur die je dwingt om je op 
te offeren voor een oude heks, alleen omdat ze je ooit gebaard heeft.
Laat oude mensen maar bewijzen dat ze respect en aandacht verdienen. 
Laatst was ik bij zo'n klassieke verjaardagskring van koffie en taart, met daarna dat obligate 
borreltje of jus. En waar kwam het gesprek op? Zoals gewoonlijk in zo'n kring van luitjes 
van middelbare leeftijd: moeder die in haar broek plast en niemand meer herkent, vader 
rochelend in z'n rolstoel. Ik besloot het gesprek eens een andere wending te geven, mede 
omdat er een vriendin bij zat die haar ouders ook al vroeg verloren heeft. Dus zei ik tegen 
haar: wat boffen wij, hè? Dertig jaar geleden waren we enorm zielig. Iedereen leek toen 
liefhebbende ouders te hebben, behalve wij. Alles moesten we alleen doen. Nooit was er 
iemand blij voor ons omdat we een examen haalden, niemand kwam ons gezellig 
verwennen als we een kind kregen. Maar het lot is ons tegenwoordig gunstig gezind, op dit 
moment zijn we zelfs de gelukkigsten van dit gezelschap! Wij hebben onaantastbare fijne 
herinneringen, terwijl iedereen hier stuk voor stuk geterroriseerd wordt door 
hulpbehoevende ouders. Wat een geluk: speciaal mijn moeder herinner ik me alleen maar 
als jong, mooi, lief en lachend. Vieze ziektes, humeurigheid of aftakeling zullen dat beeld 
nooit verstoren. En wat de minder aardige doden betreft: hoe langer ze dood zijn, hoe 
milder ik over ze denk. Wat kan de dood toch een zegen zijn. 
Bij deze beloof ik plechtig dat, voor het zover komt met mij als met het gros van de ouders 
van mijn vrienden, ik zelf de plomp in spring, of doe als de levensmoede Eskimo die zich 
afzondert op een ijsschots tot de eeuwigheid hem haalt.
Ze bestaan overigens best, wijze boeiende lieve oude mensen. Zo heb ik geweldige 
herinneringen aan een oma en een oudoom. Maar oud en wijs is helaas geen regel. Laat 
oude mensen zich dus afvragen: komen mijn kinderen bij mij op bezoek omdat ze dat echt 
graag willen, omdat ik een vriendelijk, interessant mens ben namelijk, of omdat ik ze 
verplicht?

Index    Column Trouw 14 juli 1999, Tante's dood


Of dit nu passieve euthanasie was, vroegen de neven zich af toen tante stierf. Nee, dit was 
gerechtigheid, maar wel een beetje laat, en de natuur die eindelijk haar gang mocht gaan, 
maar wel een beetje wreed. Zo vaak had ze gezegd dat ze sterven wilde: "wat duurt het lang 
hè, wanneer word ik toch gehaald?" Sinds ze hulpbehoevender werd, was tante een speelbal 
geworden tussen haar tehuis, dat zo'n bewerkelijke bewoonster liever loosde bij het 
ziekenhuis, en medisch specialisten die graag sleutelen aan lichamen, ongeacht de behoeftes 
van een patiënt, veredelde monteurs die de levensmoeheid van een hoogbejaarde negeren.
Het laatste jaar moest er nog een pacemaker ingeplant worden, waardoor ze weken in de 
war raakte, met dieptrieste angstaanvallen, terwijl ze normaal nog zeer bij de pinken was. 
Zo erg was ze er aan toe dat het bejaardentehuis alvast begonnen was haar kamer te 
onttakelen, in de hoop dat ze weg zou blijven. Maar zesennegentig word je alleen als je heel 
sterk bent, dus kwam ze terug. Evenwel niet sterk genoeg om zich te verweren tegen nog 
meer overbodige medische ingrepen ten genoegen van tehuis en artsen. Gelukkig was er een 
neef om haar te verdedigen: "luister toch naar wat ze zegt, ze wil het niet meer". Daardoor 
kon voorkomen worden dat haar tenen nog eens operatief gebroken zouden worden, omdat 
haar schoenen niet meer pasten. Botoperaties behoren tot de pijnlijkste die er zijn, met op 
die leeftijd een eindeloze revalidatie. Ook werd een ingrijpend darmonderzoek voorkomen 
dat zo ellendig is dat een jonger, wel levenslustig mens bij de gedachte alleen al in elkaar 
krimpt.
Niet voorkomen kon worden dat er verhuisplannen voor haar gemaakt werden. Iemand 
woont twintig jaar in een bejaardentehuis, is gehecht aan haar kamer, het uitzicht, de plaats 
waar ze bijna een eeuw geleefd heeft, waar ze wil sterven, en dan wordt eenvoudig besloten 
dat ze moet verkassen naar een andere stad, naar een huis met een paar verzorgsters meer op 
de loonlijst. En tot die tijd zal ze het weten ook, dat hier personeelstekort is. Het ontbijt 
komt soms pas om elf uur, het warme middageten dan om twee uur, terwijl het 
ontbijtbordje nog voor haar neus staat, plus de boterhammetjes die ze niet zelf naar binnen 
kan werken. Intussen zit ze in een luier, die stinkend vol is, niet omdat ze incontinent is 
maar omdat er niemand is om haar naar 't toilet te helpen, en dus ook niemand om haar te 
verschonen. Toen er een keer wel personeel was, lieten ze haar vallen in de wc, zodat ze op 
haar sterfbed lag met blauwe plekken op hoofd en schouders. 
Tien dagen geleden kon weer voorkomen worden dat tante geloosd werd in het ziekenhuis, 
om martelingen te ondergaan met catheters, sondes, infuzen, om zogenaamd genezen te 
worden. Nu mocht ze gaan liggen in haar eigen bedje. Ze at niet meer, en drinken werd 
steeds minder. Zuchtend, met half geloken ogen, liggend als een foetus, wekte haar sterfbed 
de indruk van een bevalling, naar gene zijde toe. Net als in de verloskamer konden 
omstanders alleen maar iets onwennigs doen met een nat waslapje, en haar hand 
vasthouden, met een huidje dat zo teer was geworden als van een baby. En toen het zware 
werk voltooid was, de kleur van inspanning wegtrok, en de koorts door de koelheid van de 
dood verdwenen, werd ze zo mooi als een albasten bruidje. Wat een vrede. Ze wordt 
begraven op Zorgvlied, in dit geval te lezen als een imperatief: zorg vlied. Die zorg van 
zorginstellingen, van de zorgzame samenleving. Haar zorgen zijn in elk geval voorgoed 
gevloden.

Index    Column Trouw 21 juli 1999, handicapjes aborteren


Het leuke van schrijven is dat je een verslag elke lading mee kunt geven die je maar wilt. 
Als Hans van Dam (Podium gisteren) een zelfmoord optuigt met termen als 'middenin een 
stikdonkere nacht vanaf een hoge brug in radeloosheid te pletter slaan', weet de lezer dat hij 
begrijpen moet dat hier een zeer verwijtbaar drama plaatsgreep. Een vrouw had gered 
kunnen worden, de politiek treft zware schuld. Terwijl zijn goede stuk dit larmoyante 
voorbeeld helemaal niet nodig had, en een vrouw die het zwanger zijn van een gehandicapt 
kind als reden voor haar zelfmoord opgeeft, heus meer redenen heeft om te springen. Zo 
niet dan was ze sowieso te labiel geweest om zelfs een normaal kind naar de volwassenheid 
te begeleiden, in deze wereld waar kwaad en leed in alle hoeken loeren. Want hoe zit dat? 
Waarom weet iemand eigenlijk dat ze een gehandicapt kind gaat krijgen? Door medische 
testen. En heeft dat testen, dat vrijwillig en bij vol bewustzijn geschiedt dan niet als 
consequentie dat er onaangename geheimen geopenbaard kunnen worden? Laat je foetus 
dan niet onderzoeken als je niet tegen onprettige mededelingen kunt. In dubiis abstine, was 
vroeger hèt adagium van artsen, maar tegenwoordig kun je bij twijfel niet meer van de 
knutselbeluste medische stand op aan, nu moet je zelf beslissen af te zien. Bijvoorbeeld 
door te beslissen weer ouderwets in verwachting te willen zijn. Een kind verwachten, 
zonder te weten van welk geslacht het is, of het gezond is of niet, zonder dat een 
gynaecoloog een geboortedatum voor je geprikt heeft. In gezegende omstandigheden zijn, 
heette dat toen, terwijl je, zoals dat hoort, toch duizend angsten uitstond, maar gelukkig 
geen bizarre keuzes hoefde te maken, en ook niemand de schuld kon geven als er wat mis 
was met het kindje.
De discussie over late abortus is het zoveelste probleem dat de wonderen der medische 
techniek creëren. Aan de ene kant de zegeningen, die vermeende zegeningen blijken als aan 
de andere kant het uitgestelde lijden een vreemde nieuwe tol komt eisen. De heisa komt ook 
voort uit een neveneffect, namelijk dat mensen door welvaart en techniek hun ontzag voor 
het wonder van het leven kwijt raken, hun vrees en eerbied, en daarmee het besef van eigen 
beperktheid, en dus hun incasseringsvermogen, de taaiheid om door te gaan ondanks verlies 
of gebrek. Men kan alles kopen, dus na het tweede huis, de beide auto's, de vakanties in 
Timboektoe of Honoloeloe, koopt men een kind. En aangezien mama's leeftijd al flink 
richting bejaardentehuis gaat - Nederland is kampioen oude moeders in de wereld, het 
eerste kind wordt nu geboren als de gemiddelde moeder al dertig is - moet er tijd, energie en 
geld in getob met verouderde geslachtscellen gestoken worden, dus moet het product 
perfect zijn. Men bestelt een fertilisatie, echoscopeert, puncteert, aborteert een ongewenste 
vrucht of wordt pijnloos verlost van een prijskind. Schitterende kunstgrepen. Geniet ervan 
zou ik zeggen. En zeur niet zo. Laat die eeuwige bemoeizucht aangaande het vrouwelijk 
lichaam eens ophouden, zeker van mensen die zelf niet zwanger (kunnen) zijn, altijd onder 
het mom van compassie met het ongeboren leven.
Of kies voor ouderwets, met af en toe vertrouwd ouderwets louterend lijden.
Vroeger legde men een zwaar gehandicapt borelingske stilletjes in een zijkamertje, zonder 
aandacht, dan was het in een paar dagen dood. De eerste keer dat ik dat zag, was ik diep 
geschokt, maar de hoofdzuster legde welwillend uit dat dit de manier van alle tijden was. 
En of ik dat niet ook bij huisdieren gezien had, katten die hun onvolkomen pasgeboren 
poesjes verstoten, konijnen die hun jongen zelfs opeten. 
We zijn gewoon te verwend tegenwoordig.

Index